![]()
| "Leven
betekent kijken en reizen kan dat proces soms versnellen." (Engels gezegde) |
|
|
zie ook de fotopagina over Angola lees ook de reistips over Angola |
|
|
|
oktober 2005 De volgende dag bereikten we, even na de
middag, Luanda, de hoofdstad van Angola. Weer zo’n typische Afrikaanse
havenstad met een gigantisch grote kloof ussen arm en rijk. We reden de
stad binnen via de krottenwijken en ik had het gevoel dat dit erger was
dan Nouakchott in Mauritanië. Mensen leven hier boven op de vuilnisbelten,
met duizenden bij elkaar. We zagen ook een aantal huizen vol kogelgaten,
souveniertjes van de jarenlange burgeroorlog, die trouwens nog niet zo
lang geleden beëindigd is. Even later kom je dan aan de kust en in
de buurt van de haven en daar zie je het andere uiterste: mooie en goed
onderhouden gebouwen, dure auto’s en bijna uitsluitend blanken.
Er zit enorm veel geld in Luanda, blank geld wel te verstaan en dat heeft
veel te maken met het feit dat hier olie gewonnen wordt. De supermarkten
zijn eigenlijk alleen voor de rijken, alles is er peperduur en bijna alle
producten worden ingevoerd uit Namibië en Zuid-Afrika. Maar
voor ons was Luanda voor enkele dagen een veilige thuishaven, want Ricks
jongere broer Thiago, werkt hier als piloot in een kleine luchtvaartmaatschappij.
Samen met zeven collega’s woont hij in een huis dat eigendom is
van zijn baas en de Castlecowboys waren door hem uitgenodigd om enkele
dagen te komen logeren. Dat hun groep ondertussen uitgebreid was met twee
leden (wij), was geen enkel probleem. Alle kamers in het huis waren bezet
door de piloten, maar er was plaats voor onze voertuigen op de afgesloten
parking voor het huis, we konden gebruik maken van de keuken en de badkamers
én van de wasmachine (die heeft de volgende twee dagen en nachten
bijna constant gedraaid). Jammer genoeg moesten we hier afscheid nemen van vier van onze, ondertussen heel goede, vrienden. Craig, Lyndsay, Bruce en Kevin besloten om op maandagmorgen 24 oktober verder te reizen. Ze hadden dan nog welgeteld 6 dagen om helemaal naar de oostkust, naar Dar Es Salaam in Tanzania te rijden. Daar moesten ze op zaterdag 29 oktober een vriendin van Lyndsay oppikken, die een tijdje met hen zou meereizen. Rick en Jenny besloten nog één dag langer in Luanda te blijven, want Rick had zijn broer al drie jaar niet meer gezien. En aangezien wij al helemaal niet gehaast waren, besloten wij om hun voorbeeld te volgen. Wij zouden op dinsdagmorgen dan vertrekken en samen naar de grens met Namibië rijden.Maar plannen zijn er om gewijzigd te worden, niet waar? Al vond deze wijziging plaats buiten onze wil om. Op maandagmiddag belde Thiago ons op met de mededeling dat hij zijn vlucht voor die dag afgerond had en dat we, als we zin hadden, naar de luchthaven mochten komen voor een rondvlucht in de Baron (een klein vliegtuigje dat plaats biedt aan 5 passagiers). En of we zin hadden! Wauw, wat een ervaring!!! We vlogen in de richting van Kondo, boven de delta van de Kwansa. Een prachtig gebied vol met kronkelende rivieren, moerassen en gigantisch veel baobabbomen. Volgens Thiago leek dit gebied op de Okovangodelta in Botswana. We voelden ons super gelukkig; een vlucht boven de Okavangodelta zouden we nooit kunnen betalen, en moest je ons nu zien: op ons dooie gemak, met een colaatje in de hand, op een kleine 1500 voet van de grond genietend van al de natuurpracht die Angola te bieden heeft. Ik voelde me zelfs even alsof ik in Top Gun zat, toen Thiago een duikvlucht naar beneden nam en tegen topsnelheid de loop van de rivier volgde. Dit was toch wel echt klasse! Helaas, helaas, toen Thiago de Baron liet landen op de gravelstrip in Kondo, ging er iets mis. Ik hoorde een geluid dat ik al eens eerder gehoord had en voelde hoe het vliegtuigje naar rechts begon te trekken. ‘Hebben we een klapband?’ riep ik naar voor. De anderen keken verbaasd; blijkbaar hadden zij niets in de gaten, maar Thiago voelde wel dat er iets niet in de haak was; hij wist alleen niet zeker wat. Tot hij uitstapte … en ja hoor, een klapband! Ok, haal de krik en de reserveband maar boven, dan fiksen we dat hier wel even. Mooi niet, Met eender welk ander voertuig kan je dat doen, maar dus niet met een vliegtuig. Ten eerste hebben ze geen reservewielen aan boord en ten tweede mag je als piloot absoluut niets doen, omdat een gespecialiseerde mecanicien eerst het toestel moet onderzoeken om te kijken of er iets beschadigd is. Oeps! Dat was dus niet voorzien! Thiago zei meteen dat de kans zeer groot was dat we de nacht in Kondo moesten doorbrengen, maar zeker zou hij het pas weten nadat hij met zijn baas gebeld had. Met zijn gsm kon dat niet, omdat je in Kondo absoluut geen ontvangst hebt, dus moest hij het dorpje in, op zoek naar een telefoon. Een uurtje later wisten we waar we aan toe waren: er kon vandaag geen mecanicien meer naar hier gevlogen worden; de zon ging immers al onder en aangezien de landingsstrip niet verlicht is, kunnen er geen vliegtuigen meer opstijgen of landen na zonsondergang. Pas morgennamiddag, tussen twee en drie, zou James (de senior pilot) naar ons toe kunnen komen, met reservebanden en een mecanicien. Thiago zat er enorm mee in z’n maag
dat dit gebeurd was en dat wij daardoor vastzaten. Wij hadden echter enorm
veel medelijden met hem, want op dat moment wist hij nog niet wat de repercussies
zouden zijn (gelukkig werd hij de volgende dag gerustgesteld door James,
het zou allemaal niet zo’n vaart lopen en zijn job zou hij zeker
niet verliezen). Voor onszelf vonden wij het helemaal niet erg. Onverwachte
gebeurtenissen behoren tot de charmes van het reizen en daardoor maak
je dingen mee die je anders nooit zou beleven. Zoals warthog eten bijvoorbeeld
(je weet wel, dat zwarte knorbeestje met de twee slagtanden), of veel
te veel aangerekend worden voor een kamer in het enige hotelletje in het
dorpje. Ze vroegen ons maar liefst 1.500 kwansa (ongeveer 17 dollar) voor
een kamer met het meest afschuwelijke bed waar we ooit in gelegen (want
veel geslapen hebben we niet) hebben. Een matras van piepschuim op houten
latjes die meer dan een halve meter uit elkaar lagen, je zakte er dus
helemaal tussendoor. Een badkamer was er al helemaal niet, alleen een
toilet en een olievat vol water. Toen James en Herman, samen met de mecanicien, om kwart voor vier landden, bleek onze 3.000 kwansa ineens toch voldoende te zijn. We rekenden af en liepen naar de landingsstrip. Gelukkig was er geen bijkomende schade aan de Baron; beide banden werden vervangen en vlak voor zonsondergang konden we terug naar Luanda vliegen. Thiago’s collega’s hadden hem al met een passende bijnaam bedacht: vanaf nu heet hij Flat spot en ik denk dat hij die naam niet snel meer zal kwijt geraken. Thuis had Oleg, een van de piloten, voor
een lekkere verrassing gezorgd: sinds drie uur stond er een poikie te
pruttelen op het kolenvuur. Een poikie is een soort stoofpot, vlees of
vis met verse groenten worden in lagen in een gietijzeren zwarte pot gestopt,
die daarna urenlang boven een hoopje gloeiende kolen gezet wordt. Een
goede poikie staat zeker zeven uur op de kolen en er wordt niet in geroerd.
De volgende ochtend kregen we de overschot van de poikie mee voor onderweg, we mochten onze kar nog even volproppen met allerlei lekkers uit de privé supermarkt (in hun keuken konden ze zonder problemen een supermarkt openen, zoveel stond er) en het was back on the road again. Drie dagen en ongeveer 1.400 km op slechte wegen lagen op ons te wachten. En slecht waren ze; afschuwelijk slecht! We waren blij als we af en toe een stukje piste konden rijden, dan kwam je tenminste nog iets vooruit. Maar meestal waren het gigantisch veel potholes, met hier en daar een stukje asfalt ertussen. Ook dit is waarschijnlijk een overblijfsel van de burgeroorlog. De wegen opblazen vertraagt de vijand en maakt hem een gemakkelijker doelwit. Maar wat een prachtige landschappen! En wat een vriendelijke en enthousiaste mensen; de oorlog heeft hun levenslust gelukkig niet aangetast. Op de laatste dag zagen we zelfs een heleboel vrouwen uit een of andere traditionele stam; het bovenlijf ontbloot, prachtige kleurrijke sieraden om en hun haren op een heel kunstige manier in elkaar gestoken. Dankzij Stefan, Thiago’s baas, konden we onze laatste nacht op Angolese bodem doorbrengen op een echte fazenda, een grote boerderij. Een vriend van hem was eigenaar van een van de grootste boerderijen en als we bij hem zouden aankloppen, mochten we zeker op zijn erf overnachten. Dat bleek inderdaad geen enkel probleem te zijn; we mochten onze auto’s in de achtertuin zetten, naast de zwanenvijver en konden binnen de badkamer gebruiken. Lubango ligt op 2000 meter hoogte en het was geleden sinds het dorpje in de bergen van Zuid-Spanje, waar we onze reis begonnen zijn, dat we onze donsdeken nog een keer boven gehaald hebben. De zachte geur van de bloesems aan de bomen in onze neus en volledig opgerold in het warme dons, hmmm, een zalige nacht. Goh, wat hebben we het weer goed! Je ziet heel duidelijk dat Angola nog volop aan het bekomen is van de lange burgeroorlog en het zal nog een hele tijd duren voor de infrastructuur terug een beetje op poten staat. Er liggen nog enorm veel mijnen (volgens sommige bronnen minstens 1 mijn per inwoner), vooral in het oosten. We hoorden wel dat de wilde dieren stilaan aan het terugkomen zijn (of dat ze terug gebracht worden). Dit zou op termijn wel eens de nieuwste trekpleister in Afrika kunnen worden. Wij vonden het een prachtig land en zouden hier graag nog eens terug komen, als de mijnen opgeruimd zijn en er weer wat wegen zijn zodat je ook het oosten kan bezoeken. Maar nu is het tijd om naar Namibië
te gaan. Nieuwe avonturen wachten op ons. |
|
| Geen
frames zichtbaar? Klik hier voor de volledige
versie.
Web design: Dominiek Croymans |
|