![]()
| "Voor
wie niet weet waar hij naartoe wil, zijn alle wegen goed." (Chinees spreekwoord) |
|
|
zie ook de fotopagina over Namibië lees ook de reistips over Namibië |
|
|
|
deel 1 november 2005 We waren twee minuten te laat. Douane en immigratie waren gesloten. Er zat dus niets anders op dan nog maar eens een nachtje door te brengen aan de grens. Het verschil met al onze vorige grensposten, was dat deze er een heel stuk moderner uitzag. De parkeerterreinen waren geasfalteerd, de stoep was beklinkerd en op het toilet stond zelfs een wasbakje. We waren in Namibië. De volgende ochtend waren de immigratiebeambten om acht uur weer op post en tien minuten later waren we geregistreerd en had ons paspoort er weer een stempel bij. De douaniers vonden acht uur blijkbaar te vroeg om de werkdag te beginnen, want er was niemand te zien. Dan maar geen carnet laten invullen. Hopelijk krijgen we daar later geen problemen mee. Gedaan met de slechte wegen. Perfect asfalt
vanaf de grens. Cruisen maar! Het was een vreemd gevoel weer met z’n tweetjes te zijn. De voorbije zes weken hebben we constant in het gezelschap van de Castlecowboys doorgebracht en we hebben een superleuke tijd gehad. Dankzij hen hebben we een heleboel unieke ervaringen gehad én we hebben er een stel nieuwe vrienden aan overgehouden. Gelukkig zullen we elkaar weerzien, rond Kerstmis, in Kaapstad en hun verhalen over wat ons daar nog allemaal te wachten staat, zorgen ervoor dat we nu al lopen te watertanden. Maar het is goed dat we het weer een stuk rustiger aan kunnen doen. Het rijden door Centraal Afrika was vermoeiend (vooral de laatste dagen in Angola) en we zijn dringend aan rust toe. Op dus naar het Caravan Park in Tsumeb. Wat een luxe op die camping! Prachtig groen gras, een eigen terrasje met verlichting, een waterkraan, elektriciteit én een braai. Heel proper sanitair en een warme douche op de koop toe! Hier zouden we onszelf eens lekker verwennen; met een boekje in de zon, elke dag vers vlees op de braai, een lekker glaasje Zuid-Afrikaanse wijn en een Amarulla als afzakkertje. Het kon niet meer stuk! Dat kon het dus wel! Op onze derde nacht op de camping werd ik plots wakker van een hels kabaal. Het klonk alsof een hond een vuilniszak aan het kapot scheuren was. Maar hoe kon het dan dat onze auto zo heen en weer schudde? Toen ik naar buiten keek, zag ik dat de deur van onze Goofy wagenwijd openstond. 'Godverdomme, Roland, ze zitten in onze auto!’ Toen ging alles heel snel: ik begon te roepen en te tieren, in de hoop de kerel te kunnen wegjagen, terwijl Roland in een gevecht gewikkeld was met de lakens, het muskietennet en de deur van de tent, in een poging zo snel mogelijk buiten te geraken, ondertussen zijn mes grijpend. Bleek er nog een andere kerel aanwezig te zijn, die onze tent begon dicht te trekken, terwijl we er nog in zaten! Dju, dat deed pijn. Roland hing al met één been buiten, maar zijn andere zat geklemd tussen de tent, zodat hij niet naar buiten kon. Maar woede geeft je ongekende kracht en geloof maar dat we woest waren. Ik zette m’n keel nog harder open, er moest hier toch godverdomme een bewaker rondlopen, waar was die kerel in godsnaam? We duwden de tent terug omhoog en toen die tweede kerel in de gaten kreeg dat hij Roland er niet van kon weerhouden uit de tent te komen, zette hij het op een lopen. De kerel die in onze auto had gezeten, was echter niet zo bang. Toen hij Roland naar buiten zag komen, siste hij ons toe: ‘Don’t make a mistake, or I will kill you.’ Hij maakte eerst nog aanstalten om nogmaals naar de auto toe te lopen, maar besloot dan toch maar dat het verstandiger was om te zorgen dat hij daar zo snel mogelijk weg kwam. Met een heel klein hartje liepen we naar de andere kant van de auto om te kijken welke schade er aangericht was. De linkerruit was ingeslagen en ik vreesde het ergste. Roland had gezien dat de inbreker de tas van mijn laptop vast had gehad toen hij wegliep. Toen we alles gecontroleerd hadden, slaakten we een zucht van opluchting: hij had alleen maar de tas mee. De laptop lag onder de tas, omdat ik hem wilde opladen en hij lag er nog steeds. Of hij had hem niet gezien, of hij had de tijd niet gekregen om hem los te koppelen. We zijn dus alleen een tas, twee notitieboeken (waaronder mijn hele boekhouding van onze reis tot nu toe), een doosje met twee disketten en de ‘Toyota manual’ van Haynes kwijt. En dat laatste vindt Roland nog het ergste, want dat was zo’n beetje zijn bijbel aan het worden. Toen werd me ineens duidelijk dat er helemaal geen nachtwaker was. Hoe kon dat nu? Er was er elke avond een geweest en nu was er niemand te zien. De poort zat op slot, dus we konden ook niet weg. Er zat dus niets anders op dan te wachten tot het licht werd, tot de verantwoordelijke de poort kwam open doen en wij naar de politie zouden kunnen gaan. Het nam meer dan een halve dag in beslag om aangifte te gaan doen bij de politie en te zorgen dat we een nieuwe ruit zouden krijgen. Dat laatste bleek een hele missie te zijn. In de officiële Toyotagarage konden ze ons niet helpen, zelfs de hoofdzetel in Windhoek niet. Onze auto was een ‘geïmporteerde’ wagen, omdat het stuur aan de linkerkant zat, en die ruiten hadden ze niet. Ook bij het glasbedrijf gaven ze ons geen goede hoop: zo’n ruit zou waarschijnlijk in gans Namibië niet te vinden zijn en zou overgebracht moeten worden van Europa en dat kon wel eens zo’n tien weken gaan duren! Uiteindelijk vonden we toch iemand die alles in het werk stelde om ons te helpen. Ze belde zowat iedereen die mogelijkerwijze een ruit zou kunnen hebben, op en uiteindelijk kreeg ze iemand in Windhoek te pakken die er eentje had liggen. Oef! De volgende ochtend was de ruit er al en konden wij weer veilig (!?) rondrijden. Onnodig te zeggen dat we niet meer terug naar het Caravan Park gegaan zijn. We vonden een andere plek waar we konden kamperen, bij een Duits koppeltje dat hier sinds vorig jaar een backpackers geopend heeft. Een heel leuke plek en hier voelen we ons weer heel veilig. Daar zorgt de hond des huizes wel voor. Morgen vertrekken we naar Etosha; het wordt hoog tijd dat we eens wat beestjes gaan zien, want dat is een van de belangrijkste redenen waarom ik naar Afrika gekomen ben. We gaan op safari! Tot de volgende keer! deel twee: Etosha National Park (november 2005) 80 N$ per persoon per dag en 240 N$ per overnachting op een camping. Welcome to Etosha! Tja, beestjes kijken kost geld, veel geld. Die 80 N$, daar heb ik helemaal geen probleem mee, als het geld tenminste nuttig besteed wordt en ten goede komt aan het behoud van het wildlife. Maar 240 N$ voor een kampplaats?! Dat moet nogal een luxe oord zijn, met teakhouten terrasjes om op te zitten, een privé-toilet en douche voor elke kampplaats en een persoonlijke bediende voor de afwas. Niet dus. Ok, dan rijden we hier drie dagen van ’s morgens tot ’s avonds door het park en verlaten het de derde dag vlak voor zonsondergang, zodat we niet meer dan tweeovernachtingen moeten betalen. Zo gezegd, zo … niet gedaan. Maar daarover later meer. Van de entrance gate tot aan de eerste
lodge, waar je de toegang moet betalen, is het nog zo’n elf kilometer
over een perfecte asfaltweg. Iedereen rijdt hier vrij snel doorheen om
zo snel mogelijk op de gravelwegen doorheen het park te kunnen rijden,
waar ‘het’ volgens iedereen te doen is. Wij niet. Alsof we
nog nooit dieren in het wild gezien hebben (wat eigenlijk – afgezien
van South Luangwa in Zambia – ook zo is), stoppen we bij elke beweging
in het struikgewas, fototoestel in de aanslag, dolenthousiast als we daar
achter dat bosje een stuk van de hoorn van een kudu zien of een steen-
of springbokje dat vijftig meter voor ons de weg oversteekt. Niemand in
de voorbijrijdende 4x4’s deelt ons enthousiasme. Ik kan me de conversatie
in zo’n voertuig al voorstellen: Springbokken, steenbokken, kudu’s, wildebeesten, gemsbokken, hartebeest, noem maar op; je ziet het allemaal in Etosha. Prachtige dieren zijn het, vooral de gemsbok en de mannetjes kudu, dat zijn mijn favorieten. De gemsbok kan, in tegenstelling tot de meeste andere antilopen, overleven zonder water, omdat hij voldoende water uit zijn voedsel kan halen en hij kan extreme hitte weerstaan. Hij heeft een grijsbruin lijf, terwijl de kop zwart-wit gekleurd is, en zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben indrukwekkend lange, kaarsrechte horens. De mannetjeskudu is echt imponerend. Licht grijs van kleur, met tussen zes en tien witte strepen op zijn flanken en een witte lijn die zijn ogen verbindt. Hij is heel schuw; heel voorzichtig wandelt hij naar de waterplas om te drinken, maar hij is constant waakzaam en bij het minste teken van gevaar of een onbestemd geluid, zet ie het op een lopen. Maar wat een prachtig en elegant dier! Alleen de mannetjes hebben horens en je kan het groeiproces heel mooi volgen als je op een kudde stoot. De jonge mannetjes hebben twee stompjes, een beetje zoals een duiveltje, en naarmate ze ouder worden, groeien de horens tot ze twee prachtige spiralen vormen. Die eerste dag zien we ook een koppel struisvogels (papa met een zwarte jas en mama met een bruine) met hun kroost; althans we veronderstellen dat het hun kroost is, want als iemand ons zou zeggen dat die kleine, lelijke mormeltjes later, als ze groot zouden zijn, kalkoenen blijken te zijn, zouden we het ook geloven. Niets wijst erop dat ze, binnen een paar jaar (of hoelang het ook duurt voor een kuikentje een struisvogel wordt) zullen uitgroeien tot het evenbeeld van hun papa en mama. Giraffen, altijd een streling voor het oog. Heel gracieus en bijna plechtig stappen ze door de bush en het lijkt wel alsof ze op eieren lopen, zo zachtjes bewegen ze zich voort. Alleen als ze drinken, denk ik: hier heeft de natuur een foutje gemaakt. Ze moeten met hun poten een x vormen, zodat de onderste delen heel ver uit elkaar komen staan, anders geraken ze niet bij het water. Daardoor zijn giraffen ook altijd het meest kwetsbaar als ze drinken. Zebra’s, daar kan ik ook uren naar kijken. Knollige beestjes vind ik het, met hun dikke buik en al even dik achterwerk. En het lijkt alleen maar alsof ze allemaal hetzelfde zijn. In wezen hebben ze allemaal een ander lijnenpatroon. Een zebra is een echt kuddedier; je ziet ze bijna nooit alleen, maar altijd in grote groepen en altijd vergezeld van al even grote kuddes wildebeesten en/of springbokjes. Tegen de avond installeren we ons op een
van de drie campings in het park en steken het vuur aan voor een braai.
Even later komt een koppel voorbij gewandeld, dat heel vriendelijk goedenavond
zegt. Het is knap om te zien hoe de dieren een
beurtrol hebben om te komen drinken. Het is bijna zoals bij de slager:
nummertje trekken en wachten tot je aan de beurt bent. Eerst de springbokken,
wildebeesten en de zebra’s, terwijl de giraffen al op de achtergrond
staan te wachten. Die kijken altijd de kat uit de boom. Heel voorzichtig
komen ze naderbij en als ze vinden dat de kust veilig is, zakken ze door
hun poten en beginnen te drinken (en het kan soms een héle tijd
duren voor het zover is). Vervolgens zijn de neushoorns aan de beurt.
Je voelt je een heel klein beetje alsof je in Jurassic Parc zit als je
naar die beesten kijkt. Nog niet zo lang geleden met uitsterven bedreigd
en hier zien we er elke avond een stuk of zes! Vanavond moeten ze wel héél lang wachten, want het publiek krijgt waar voor zijn geld. Als ik niet beter zou weten, zou ik er die beesten van verdenken het op een akkoordje gegooid te hebben met de uitbaters van het park: geef de klanten maar wat spektakel, dan zijn ze content en vergeten ze dat ze eigenlijk wilden komen klagen over het feit dat alles hier veel te duur is. Nu, spektakel krijgen we! Eerst in bad, waar mama haar kleintjes leert hoe ze hun slurf als douche moeten gebruiken en daarna lekker rollebollen in het zand. “Ja, goed zo, spuit dat stof maar goed in het rond. Kijk eens naar Dumboke hierlangs. Die stofwolk is de moeite, hé. Maar jij kan dat nog veel beter, hé Jumboke. Komaan, laat de mensen eens zien wat voor een grote stofwolk jij kan maken. Ja! Goed zo! Kijk, de mensen lachen allemaal, dat vinden ze blijkbaar wel leuk. Wacht, papa zal eens een héle grote stofwolk maken voor de mensen. Oei, nu lachen de mensen niet meer! Ze zitten allemaal te hoesten. Ik denk dat het tijd wordt om te vertrekken. Kom, Jumboke. Potverdorie Lumbo, waar zit jij nu weer met je slurf?! Wie heeft je dat geleerd? Ah, ik zie het al. Mumbo kan zijn slurf weer niet thuis houden. Maar je hebt niet goed gekeken, Lumbo, het is niet dié slurf die je moet gebruiken, het is die andere! Nee, Jumboke, jij hoeft daar nog niet naar te kijken, daar ben jij nog veel te jong voor.” Tja, zo gaat dat bij de olifanten… denk ik. En wie ligt er op z’n luie gat, op
zo’n vijftig meter afstand, het hele schouwspel met een schuin oog
gade te slaan? Ja, the king and queen of the jungle! Leo en Lea! Dankzij Marcel en Malou kunnen we vier
dagen in Etosha blijven. ’s Avonds zitten we gezellig met z’n
vieren op het terras, na een lekkere maaltijd, te genieten van een glaasje
wijn en een interessante babbel, want M&M zijn boeiende vertellers.
Ze hebben begin jaren ’70, toen ze pas getrouwd waren, twee jaar
in Zaïre gewoond en Afrika heeft hen nadien nooit meer losgelaten.
Ze zijn heel geïnteresseerd in onze reis, dus er is meer dan voldoende
gespreksstof om menige uren te vullen. Overdag trekken we het park in en genieten van al het moois dat Etosha te bieden heeft. De tweede ochtend zien we plots een leeuw uit de pan komen en voor ons de weg oversteken. Ik ga bijna uit m’n dak. Wat is dat toch met mij als ik wilde dieren zie? Volledig gebiologeerd zit ik naar Leo te staren en ik merk dat ik vergeet te ademen. Letterlijk ademloos volg ik al zijn bewegingen. Wat een prachtig beest! En wat een kracht gaat er van hem uit! Ik krijg de indruk dat hij zich daar heel goed van bewust is. Op minder dan tien meter van ons steekt hij de weg over, op z’n dooie gemak, en hij keurt ons geen blik waardig. Het is alsof hij wil zeggen: ik weet dat jullie hier zijn voor mij en daarom kan ik het mij permitteren om arrogant te zijn en jullie compleet te negeren. En heel relaxed wandelt hij de heuvel links van ons op, in de richting van een groepje bomen, waarvan de takken tot op de grond hangen. Van op een afstand lijkt het één bol groen, met in het midden een groot gat, en precies daar vlijt Leo zich neer. Slimme kerel, zo kan hij vanuit zijn luie zetel de hele vlakte rondom zich overzien. En het spektakel is nog niet afgelopen, want Leo the Great heeft nog maar net zijn strategische plaats op de heuvel ingenomen, als nummer twee uit de pan te voorschijn komt en in de ‘pootsporen’ van zijn voorganger, de weg oversteekt. Leo II is duidelijk jonger, nog steeds een kanjer, maar iets minder imposant en een iets minder weelderige bos manen rond z’n kop. Ik kan m’n geluk niet op: twee mannetjes leeuwen lopen hier vlak voor onze neus en wij zijn de enige toeschouwers die het gebeuren gadeslaan! Over exclusiviteit gesproken! Benieuwd naar wat Leo II gaat doen - want onze leeuwenkennis reikt niet zo ver dat we kunnen inschatten wat er gaat gebeuren als twee mannetjes bij elkaar in de buurt zijn- volgen we hem geboeid als hij dezelfde heuvel opwandelt. Als dat maar goed gaat, zo twee macho’s bij elkaar. Wie weet zijn we hier dadelijk nog getuige van een heuse leeuwenvechtpartij. Of toch niet? Nee hoor, Leo II wijkt af en loopt de bomen voorbij. De twee gunnen mekaar geen blik. Twee bomen, iets verder naar links, zijn blijkbaar de eindbestemming van Leo II. Door de verrekijker kijken we al even in die richting. Hé, wat is dat daar onder die bomen? Dat lijkt wel … Zie ik dat nu goed? Potverdikke, het krioelt daar van de leeuwen! Het duurt enige tijd voor we wat structuur kunnen zien in die geelbruine zee, maar uiteindelijk ontdekken we welke voor- en achterpoten bij welk lijf horen en welke kop we daarop moeten plaatsen. En zo stellen we vast dat daar maar liefst 8 leeuwen liggen: 3 leeuwinnen en 5 kleintjes. Wat een supermoment! Om beurt bestuderen we door de verrekijker deze bende en vragen ons af hoe de sociale structuur in die groep in elkaar steekt. Is Leo II de papa van al die kleintjes? Zou hij dan 3 vrouwen hebben? De snoeper! En wat heeft Leo I met deze groep te maken? Waarom zondert hij zich af? Ik neem me voor om me, zo rap ik de kans krijg, toch eens wat meer te verdiepen in het koninkrijk der dieren. Nadat de kleintjes een tijdje hebben kunnen stoeien met elkaar en met de mama’s en de papa, worden ze het nest uitgestuurd voor een plasje en dan vindt mama dat het tijd is voor een middagdutje (alhoewel je niet echt van een ‘middag’-dutje kan spreken, aangezien die beesten de ganse dag door niet veel anders doen dan maffen – als we ’s avonds terugkeren, liggen ze er immers nog steeds) en mogen wij vertrekken. We stellen vast dat we hier meer dan een uur gestaan hebben en al die tijd is er geen enkel ander voertuig langs gekomen. We worden verwend in Etosha. Ook de derde dag zien we veel wild: nog meer zebra’s, giraffen, kudu’s, gemsbokken en ook een aantal hartebeesten (zo genoemd omdat hun horens de vorm van een hart hebben), struisvogels en mama, papa en baby maraboe. De leeuwen zijn goed vertegenwoordigd, want ook vandaag spotten we er drie. De dames liggen in de schaduw van een boom, vlak bij een waterplas. Ze worden angstvallig in de gaten gehouden door de kudde kudu’s die hier hun dorst komt lessen. Toch zijn ze heel nieuwsgierig en geïnteresseerd in de leeuwinnen. De hele bende staat ernaar te kijken, maar de vrouwtjes zijn het dapperst. Ze naderen heel voorzichtig de drie leeuwinnen, maar als één van de drie even haar kop optilt alsof ze wil zeggen: “Hé, jullie daar, onderschat ons niet. Wij hebben hier wel degelijk de touwtjes in handen, dus kom maar niet te dichtbij”, kiezen ze toch maar eieren voor hun geld en lopen snel terug naar de rest van de kudde. In de late namiddag kunnen we nog genieten
van een kudde olifanten die met de kleintjes een uitstapje maken naar
een waterbak die constant bijgevuld wordt. En die beesten hebben dat door;
slim als ze zijn steken ze hun slurf in de buis waarlangs het water de
bak instroomt en laten het recht in hun slurf lopen. De laatste dag willen we, voor we het park uitrijden, nog even langsgaan bij ‘onze’ leeuwen. Een beetje teleurgesteld stel ik vast dat er niemand thuis is. Of toch; één leeuwin ligt op haar plekje onder de boom. Een heel eind verderop staan twee giraffen stokstijf met hun koppen in dezelfde richting gekeerd. Roland heeft ondertussen geleerd dat er iets te gebeuren staat als de giraffen langere tijd blijven stilstaan en zeker als ze constant in dezelfde richting kijken, dus blijven we wachten en speuren de omgeving af met de verrekijker. Hij krijgt gelijk. Opeens zien we in de verte Leo I liggen met zijn kop in de richting van de pan. Het lijkt alsof hij ligt te wachten… En even later komt Leo II uit de pan gewandeld. Als hij dicht genoeg in de buurt is, staat Leo I recht, de twee koningen brullen wat naar mekaar en lopen dan samen onze richting uit. Leo I voorop natuurlijk, maar regelmatig kijkt hij achterom om te kijken of nummer II nog altijd volgt. Hetzelfde ritueel als twee dagen geleden: Leo I neemt zijn vaste plek op de heuvel in, terwijl Leo II zich bij een van zijn gezelschapsdames voegt. “’t Is nog niet afgelopen,” beweert Roland, “want die giraffen staan daar nog steeds en hebben nog geen vin verroerd.” En inderdaad, een kwartier later komen de vijf jongen aangewandeld en die willen laten zien dat ze niet bang zijn van de voertuigen (deze keer zijn we niet alleen) die daar voor hun op de weg staan. Ze lopen tussen de auto’s door; eentje vlak voor ons en een andere loopt gewoon langszij. Als we de deur zouden openen en even zouden uitstappen, zouden we hem een aai over zijn bol kunnen geven. Toch maar niet, want in het reglement staat dat je niet uit je voertuig mag komen en wij volgen altijd heel braaf de regeltjes. Als de vijf jongen zich bij hun papa gevoegd hebben en zich languit in de schaduw neergevleid hebben, houden de meeste mensen het voor gezien, denkend dat ze het gehad hebben voor vandaag. Wij weten beter. Er ontbreken nog twee leeuwinnen en bovendien hebben de giraffen weer halt gehouden op hun weg naar de pan. Het is even wachten, maar ons geduld wordt beloond als we uiteindelijk ook de twee achterblijvers in het vizier krijgen. Deze twee dames doen er wat langer over om zich bij de rest van het gezelschap te voegen, want ze maken eerst nog een uitgebreide tussenstop aan de waterplas. Een half uur later is het plaatje van twee dagen geleden weer kompleet; iedereen heeft zijn vertrouwde plekje weer ingenomen en heel voldaan en een superervaring rijker, rijden we Etosha uit en zetten koers richting Outjo. Daar maken we een tussenstop van twee dagen, op weg naar het noordwesten van Namibië. Ook nu maken we weer kennis met andere reizigers: Tomas en Sylvia trekken met twee motoren drie maanden door Namibië, Botswana en Zuid-Afrika (www.unterfreiemhimmel.de). We koken samen en blijven veel te lang keuvelen, waardoor we de volgende morgen natuurlijk niet uit ons bed kunnen. In de plaatselijke supermarkt slaan we genoeg etensvoorraad in, want voorlopig zullen we het een tijdje zonder deze luxe moeten stellen. We gaan naar Kaokoland, het gebied van de Himba’s. Maar daarover meer in een volgend verslag. Tot de volgende keer! deel 3: Kunene-rivier en Kaokoland (november – begin december 2005) Voor we Outjo uitrijden, stoppen we eerst
nog even aan een Bäckerei annex Biergarten, waar ook het plaatselijke
internetcafé een onderdak heeft gevonden. Vanuit Outjo rijden we helemaal terug naar
boven, naar de Kunene-rivier, die de natuurlijke grens met Angola vormt.
We bushcampen onderweg en komen de volgende middag aan in de Kunene River
Lodge. Het domein is perfect onderhouden, de douches en toiletten zijn
kraakproper, maar naar ons gevoel is het er veel te duur: bijna twintig
euro voor een nachtje kamperen! Dus breken we de volgende dag weer op
en zetten onze tocht verder. We nemen een ongeveer 96 km lange 4x4-piste
die min of meer de loop van de Kunene naar het westen volgt. Maar goh, wat zijn dit mooie kinderen! En die jonge meisjes, echte schoonheden zitten daartussen, met hun met boter, oker en as ingesmeerde huid, waardoor die zo’n prachtige diepbruine kleur krijgt en er bovendien altijd zacht en jong blijft uitzien, hun met hetzelfde mengsel ingesmeerde kapsel, hun amandelvormige ogen en die perfecte en stralend witte tandpastaglimlach. We vinden de perfecte plaats om te bushcampen, vlak aan de rivier, afgeschermd van de piste door een reeks palmbomen. Genieten van de zonsondergang, na het invallen van het duister met een kop koffie boven op het dak van onze Goofy naar de geluiden van de natuur luisteren, ’s morgens van op datzelfde dak de bavianen in de bomen aan de overkant van de rivier (in Angola dus) gadeslaan en luisteren naar hun hels kabaal als ze even later zitten ruzie maken, kijken naar de stroming van de Kunene … dat heet dan gelukkig zijn! Als ik uit m’n stoel opsta en twee passen zet, sta ik in de rivier. Als ik er dan in zou slagen niet meegesleurd te worden door de stroomversnelling en zo’n dertig meter de rivier in zou wandelen, dan zou ik het volgende moment zo’n zevenendertig meter mee de dieperik in gesleurd worden. We zijn aangekomen aan de Epupa Falls, waar het water van de Kunene over anderhalve kilometer verspreid, in het totaal zo’n zestig meter naar beneden valt. Maar de grootste, die van zevenendertig meter, is natuurlijk de bekendste en die ligt hier vlak voor ons. Al hadden we dat pas twee dagen later door, toen we vonden dat we nu toch eens moesten stoppen met luieren, een boekje lezen, wat schrijven, aan Goofy prutsen of gewoon vanuit onze stoel naar de stroomversnellingen kijken, ondertussen volop genietend van de verkoelende wind en het geraas van het water dat naar beneden dondert. Wij dachten dat de rotsen die we hier in het midden van de rivier zien en waar het water overheen naar beneden stroomt, de kleine watervallen waren en dat dé Epupa waterval een eind verderop zou liggen. Maar toen we de stroom van de rivier volgden en even later achterom keken, viel onze mond open van verbazing. Hadden we er de hele tijd met onze neus bovenop gezeten en we hadden het niet eens door! Naast ons op de camping staat een oude Series III Land Rover. Op zich niet echt een bijzonder feit, ware het niet dat deze er een ‘beetje vreemd’ uitziet. Hij is volgeplakt met stickers en er hangt het een en ander aan: van een waterkraantje over een aantal uitklapbare planken die dienstdoen als keukentje, tot een antenne en zelfs een fiets. Duidelijk iemand die al een hele tijd on the road is. En als we kennis maken met Ammar Keylani blijkt hoé lang: dertien jaar is hij al onderweg! Ammar is geboren in Syrië en was moslim, maar al jaren geleden heeft hij openlijk gebroken met zijn geloof en zijn kritiek op de islam is niet mals. Ooit terugkeren naar Syrië zit er volgens hem niet in (niet dat hij dat zou willen), hij is daar blijkbaar uitgeroepen tot publieke vijand. Zijn familie is in de jaren zeventig naar Egypte verhuisd, waar hij zeven jaar medicijnen studeerde, om er na één jaar praktijkervaring achter te komen dat dat toch niet zijn ding was. Vervolgens heeft hij een aantal jaren in Denemarken gewoond en er art en design gestudeerd. In 1992 is hij dan van daaruit vertrokken met een toen twintig jaar oude Land Rover en daar rijdt hij nu, dertien jaar later, nog altijd mee door Afrika, al loopt het ding nu echt wel op zijn laatste benen. Het reizen heeft hem veel geleerd (“Ik heb drie universiteiten bezocht in mijn leven, maar nergens heb ik zoveel geleerd als tijdens mijn reizen”) en heeft een echte duizendpoot van hem gemaakt. Hij beoefent geneeskunde als mensen die hij tegenkomt dat nodig hebben, is duikinstructeur, master in the martial arts, fotograaf en documentairemaker (twee beroepen die hij zichzelf heeft aangeleerd en die hem het nodige geld bezorgen om verder te kunnen reizen), juwelenontwerper, dichter, filosoof, muzikant, zanger (hij componeert zijn eigen muziek) en een echte bushmecanicien, want er is niet veel wat hij niet gerepareerd krijgt. Op dit moment wordt hij vergezeld door Marion, een Noorse studente en een heel bijzonder meisje. Ze heeft haar studies aan de universiteit voor een jaar onderbroken om Ammar te helpen bij het maken van een documentaire over de Himba’s. Onnodig te zeggen dat zo’n reiziger heel wat boeiende verhalen te vertellen heeft. En mij het een en ander kan leren; zoals zijn onnavolgbare koffie à la Ammar, of zijn Egyptisch brood. Na vier dagen verlaten we dit voor ons perfecte plekje en rijden dieper Kaokoland in, het gebied van de Himba’s. Op aanraden van Ammar stoppen we in Okangwati, bij Andreas en Gisela, een koppel uit voormalig Oost-Duitsland dat sinds 2001 een nieuwe stek heeft gevonden in Koakoland. We waren aanvankelijk van plan hier te overnachten en de volgende dag weer verder te rijden, maar een van de enige zekerheden die je hebt op reis, is dat je plannen constant veranderen, zeker als je buitengewone mensen ontmoet. En Andreas en Gisela passen zeker in die categorie! In Oost-Berlijn waren ze heel actieve leden binnen een kleine organisatie die, grotendeels uit eigen zak, geld inzamelde om een project op te richten voor de Himba’s. Ze gaven hun job en woning (en daarmee hun bestaanszekerheid) op en trokken naar Namibië. Uiteindelijk kregen ze de regering in Windhoek zover dat die openstond voor hun idee, want ze kregen voor 99 jaar lang land toegewezen in Okangwati, waarvoor ze elk jaar een ‘permit to occupy’ betalen. Hun project bestaat uit drie onderdelen: op één stuk land willen ze een guesthouse annex camping oprichten. Ze zijn al vier jaar hard aan het werk en ondanks de vele problemen die ze al het hoofd hebben moeten bieden (en als je naar hun verhaal luistert, kan je bijna niet geloven dat ze het nog niet opgegeven hebben), begint het stilaan vorm te krijgen. Over een half jaar hopen ze de deuren te kunnen openen. Gisela wil het kleinschalig houden, zodat ze er echt haar personal touch aan kan geven; een kleine camping en, om te beginnen, slechts vier kamers (die bijna klaar zijn). Centraal staat een grote keuken; Gisela wil zelf koken voor haar gasten, die bij haar kunnen komen zitten voor een babbeltje in de grote ruimte. Ze wil in haar gerechten zoveel mogelijk gebruik maken van producten uit eigen tuin, dus is ze al een hele tijd aan het experimenteren met kruiden, groenten en fruit, om na te gaan wat succesvol is en wat niet. Werkelijk alles probeert ze uit en het is verbazingwekkend hoeveel dingen werkelijk gecultiveerd kunnen worden in dit stoffige en droge gebied, wat volgens hen helemaal niet zo droog is als vele mensen beweren. Zij hebben immers water in overvloed, gewoon omdat ze de moeite hebben genomen hun put diep genoeg te graven. Helder, zacht en héél lekker water. Hun erf is een paradijs voor de bijna honderd kippen en kuikentjes, de vogels, de eenden, de geiten, drie katten en hun zes kleintjes, een hond, een das, een konijn, twee genetkatten, een aapje en zelfs een arend. Bijna elk beestje heeft een naam (diegene die er geen hebben, dienen om opgegeten te worden) en Gisela en Andreas verzorgen ze alsof het hun kinderen zijn. Andreas weet zelfs welke kuikens bij welke mama horen. Het verhaal van Joe Silver, de arend,
is triest. Op een dag vonden ze hem in een van de bomen op het erf. Een
van zijn poten zat in een klem en het was duidelijk dat die daar al een
hele tijd zat, want zijn poot was volledig uitgedroogd en hing te bungelen
aan zijn lijf. Amputatie was de enige oplossing. Joe Silver zou echter
nooit meer in het wild kunnen overleven en daarom bezorgde Andreas hem
een onderkomen en van de mensen in het dorp krijgt hij vleesafval om hem
te voeren. Het tweede deel van hun project zou aanvankelijk bestaan uit het bouwen van een hospitaaltje, zodat de mensen uit de streek (voornamelijk Herero en Himba) medische verzorging konden krijgen. Ondertussen heeft de regering daar echter al voor gezorgd en konden Andreas en Gisela zich op iets anders focussen. En toen ze vernamen dat er in dit gebied, waar ongeveer zesduizend mensen wonen, zeker vijfennegentig leven (waarvan sommige in erbarmelijke toestand) omdat de ouders gestorven zijn aan aids (een probleem dat ook onder de Himba’s meer en meer voorkomt), wisten ze wat ze wilden doen: een weeshuis oprichten waar ook medische verzorging voor de kinderen voorzien is. Op dit vlak willen ze samenwerken met het al bestaande ziekenhuis. Hun gebouw is voor veertig procent klaar, de muren staan er (de stenen hiervoor hebben Andreas en Gisela volledig zelf gemaakt!) en de ramen zitten erin, maar er moet nog het een en ander gebeuren voor het weeshuis operationeel kan worden. En daar is geld voor nodig. Op termijn willen Andreas en Gisela onafhankelijk werken. De opbrengst van hun camping en guesthouse willen ze in het weeshuis steken, zodat ze voedsel, medicijnen, kleding, of wat er ook nodig is voor de kinderen, kunnen kopen. Op het derde stuk land, dat maar liefst
tachtig hectaren groot is, willen ze allerlei workshops organiseren voor
de bevolking uit de streek. In de eerste plaats willen ze de mensen aanleren
groenten en fruit te telen, want veel van de gezondheidsproblemen (bij
met name de Himba’s) komen voort uit een te eenzijdige voeding.
De Himba’s eten bijna alleen vlees en drinken bijna uitsluitend
geitenmelk. En Gisela heeft ondertussen geleerd dat er heel wat mogelijkheden
zijn op dat vlak. Wij komen heel erg onder de indruk van
deze geweldige mensen met hun groot hart en hun immense gastvrijheid.
Samen met Ammar en Marion verblijven we een week op dit kleine vredeseiland,
zoals Marion het noemt, en elke dag is een rijke dag. Op een ochtend staan chief Kapika en zijn vrouw voor de poort. Andreas en Gisela kennen de Himba chiefs uit de streek, omdat ze met hen willen samenwerken in het kader van hun project. Vandaag is hij echter gekomen omdat Ammar hem wil interviewen voor zijn documentaire. Onze ontbijttafel onder de mopaneboom wordt snel ontruimd zodat er plaats gemaakt kan worden voor chief Kapika en zijn vrouw. Filipus, een jongen die voor Andreas en Gisela werkt, is de tolk van dienst, want chief Kapika spreekt geen Engels. De documentaire die Ammar en Marion aan het maken zijn, gaat o.a. over de impact van het toerisme op de traditionele levenswijze van de Himba’s, of hoe het in aanraking komen met de westerse wereld, levenswijze en ideeën hun wereld, levenswijze en ideeën beïnvloedt. Ammar wil chief Kapika’s visie hieromtrent horen. Maar ik zie aan zijn gezicht dat hij teleurgesteld is en na het interview vertelt hij me ook dat hij steeds vaker merkt dat de grote Himba chiefs blijkbaar weinig visie hebben. Kapika’s antwoorden zijn vaag en zeggen weinig. Op het einde van het interview vraagt hij of hij een persoonlijk gesprek kan hebben met Ammar, weg van de camera. “Nu komt de aap uit de mouw”, zegt Andreas. “Ik ben er zeker van dat hij Ammar om geld of medische hulp, of beiden, gaat vragen. Zo gaat het altijd.” En inderdaad, Kapika wil dat Ammar zijn documentaire gebruikt om ‘de wereld’ om geld te vragen, zodat hij een kliniek kan laten bouwen. Maar er is toch al een kliniek hier in Okangwati?! Ja, maar Kapika wil een kliniek speciaal voor hem en zijn familie. Het is niet aan mij om te oordelen, ik weet te weinig over de Himbacultuur, maar ik heb er toch wel wat moeite mee dat het zo vaak blijkt neer te komen op persoonlijk gewin. Het gebrek aan een langetermijnvisie, we zijn het al vaker tegen gekomen deze reis. Andreas en Gisela zijn het al gewoon. De hele dag door komen er Himba’s bij hen om water vragen, terwijl er in het dorp ook een waterpomp is. Maar als de benzine op is, of de pomp is stuk; wel dat is het dan. De verantwoordelijke van de waterpomp zegt: “Als ik geen geld van de community krijg om benzine te kopen of om de pomp te herstellen, kan ik ze niet meer opstarten.” En dan blijft de hele zaak gewoon liggen. Het is gemakkelijker om naar Andreas en Gisela te lopen in plaats van het probleem op te lossen. En hoewel Andreas en Gisela de Himba’s nooit water weigeren, blijven ze proberen deze lakse mentaliteit te veranderen. Gisela heeft een werkgroep opgericht met vertegenwoordigers van de community om dergelijke problemen aan te pakken en om een toekomstvisie uit te werken die ten goede komt aan iedereen in de community. Een werk van lange adem, dat is wel duidelijk, maar ze geven niet op. Toch wel met pijn in het hart nemen we na een week afscheid van Andreas en Gisela en van Ammar en Marion en rijden verder Kaokoland in. In de dagen die volgen rijden we over 4x4-pistes doorheen de meest adembenemende landschappen. De zon geeft de bergen op bijna elk uur van de dag een andere kleur; van oranjebruin tot bijna paars in de late avondzon. We zien honderden gemsbokken en springbokjes, tientallen struisvogels, een dozijn giraffen, één baviaan en in Puros horen we ’s nachts enkele woestijnolifanten. Het is twee uur in de morgen als Roland me wakker maakt: “Myriam, olifanten!” In de volgende seconde hoor ik zo’n
diep gebrom, dat m’n hart bijna uit m’n lijf springt. Het
lijkt wel alsof die beesten vlak naast m’n oren staan te trompetteren.
En als ik uit de tent naar buiten kijk, zie ik dat dat inderdaad zo is.
We zijn omsingeld! We zien het silhouet van twee kleine olifanten vlak
naast onze tent en iets verderop staat een kanjer, waarschijnlijk de mama.
Ze staan rustig hun buiken rond te eten met blaren van de bomen waaronder
wij geparkeerd staan en trakteren ons op een plas- en kakconcert. Amai,
die mannen kunnen er wat van! Vanuit Puros rijden we door droge rivierbeddingen en over 4x4-pistes verder naar het zuiden, naar de Hoanibrivier, waar je altijd kans hebt om nog meer woestijnolifanten te zien. En we hebben geluk: we zien er maar liefst vierentwintig! Aan een drinkplaats vinden we er ineens tien! Ze staan hun dorst te lessen, spuiten zichzelf nat (de kleinste uit het gezelschap wordt volledig ondergedompeld) en nemen daarna een zandbad. We blijven op een zeventig meter van hen vandaan staan en denken dat dat toch wel een respectabele afstand is. Niet dus. De leider (of leidster) van de bende wandelt zeer nadrukkelijk onze richting uit en de boodschap is duidelijk: achteruit jullie! Pas als we nog en tiental meter verder naar achter staan, is hij tevreden, draait zich om en waggelt terug naar de drinkplaats. Langzaam maar zeker komen we in het meer
toeristische gedeelte van Namibië. De 4x4-pistes hebben plaats gemaakt
voor perfecte gravelwegen en overal staan wegwijzers naar de verschillende
bezienswaardigheden in de buurt: Petrified Forest, Brandberg, Twijfelfontein,
… de toeristische mainstream en daar hebben wij op dit moment geen
zin in. Dus rijden we verder en precies een week nadat we bij Andreas
en Gisela vertrokken zijn, komen we aan in… Duitsland. Althans dat
gevoel hebben we. Propere straten, brede lanen met in het midden een reeks
palmbomen, ommuurde woningen met netjes aangelegde tuinen, overal winkels
en shoppingcentra en een handvol gerestaureerde, historische gebouwen. Over een paar dagen willen we verder rijden naar Sossusvlei, naar de wereldberoemde duinen en onze laatste stop in Namibië zal de Fish River Canyon zijn. deel 4 (4-9 december 2005) In de namiddag komen we aan in Sesriem op de camping, van waaruit je de zandduinen kunt bezoeken. We betalen de camping en de toegangsprijs – ook hier is de prijs enorm gestegen in de laatste twee jaren– en krijgen een plaats toegewezen. Tijd voor een verfrissende duik in het zwembadje, want het is warm, héél warm. In de verte komen donderwolken opzetten en een uurtje later giet het water. Onze eerste regen in maanden. Hopelijk is er in Kaokoland ook wat uit de lucht komen vallen, want daar zaten ze er echt op te wachten. In de late namiddag rijden we naar ‘Dune 45’, zo genoemd omdat hij 45 km van Sesriem en 45 duinen verwijderd van Sossusvlei ligt, zowat de meest gefotografeerde duin ter wereld, denk ik. Hij is inderdaad indrukwekkend, maar dat zijn ook de meeste duinen die er rond liggen. Tussen de 100 en 200 meter hoog, en worden beschouwd als de hoogste ter wereld, maar het is vooral de kleur die ze, voor mij, zo mooi maakt; bij zonsop en –ondergang hebben ze die prachtige, diep oranje kleur. Het is ook knap om te zien hoe de wind de zandkorrels over de rand heen blaast. Het is al donker als we terug op de camping aankomen en de braai aanmaken. En dan merken we dat we ons eten constant in de gaten moeten houden, want er zijn kapers op de kust: twee hongerige jakhalzen cirkelen voortdurend rond onze campingplaats en ze zijn, zoals Roland zegt, voor niets verlegen. Als we heel even niet opletten, staat er eentje met z’n voorste poten op onze tafel, klaar om wat binnen ‘bekbereik’ ligt, mee te grissen. Jammer voor hem, blijkt dat alleen maar een mes te zijn. We hebben in de voorbije vijf maanden zo’n beetje een dagelijkse routine ontwikkeld wat het avondmaal betreft. We nemen uitgebreid de tijd om te koken en kopen zoveel mogelijk verse groenten en vlees. Als Roland een tweetal uur op voorhand het vuur voor de braai aanmaakt, is het tijd voor het aperitief. Met wat er voorhanden is, liefst een goed glas Zuid-Afrikaanse wijn, nestelen we ons in onze luxe campingzetel en genieten we van de ondergaande zon of van een verkoelend briesje. Als de houtskool volop aan het gloeien is, zet Roland zich aan het ‘braaien’ (en hij is er ondertussen vrij goed in geworden) en ik houd me bezig met de groenten. We zijn ondertussen echte liefhebbers van eten geworden, niet goed voor de weegschaal, maar alles smaakt zo heerlijk! En als we de afwas gedaan hebben, is het tijd voor ons dagelijks kopje koffie met een afzakkertje (Amarula natuurlijk!) En dan is het sterren kijken en luisteren hoe de daggeluiden overgaan in nachtgeluiden, tot we in onze tent kruipen. Vanavond valt dat laatste gedeelte echter een beetje in het water, als ik tot de ontdekking kom dat we een lekke band hebben. Het is de vierde sinds we vertrokken zijn (eentje in Mali, eentje in Kongo en eentje in Etosha), maar hij komt nu wel echt op een slecht moment, want we willen morgenvroeg om vijf uur vertrekken om op tijd in Sossusvlei te zijn voor de zonsopgang. Er zit niets anders op dan in het donker de band te vervangen. We zien het echter niet zitten om de binnenband te plakken (want dat is tot nu toe altijd een karweitje van een paar uur gebleken), dus leggen we een van de ‘Long Way’ banden op die we in Nigeria gekocht hebben. Roland is er echter niet helemaal gerust in, want die banden hebben ons niet echt een ‘long way’ gebracht; na 3000 km was het rubber overal aan het los komen en waren ze letterlijk tot op de draad versleten, in Pointe Noire hebben we ze er dus maar vanaf gehaald om ze, in uiterste nood als reservebanden te gebruiken. De 130 km gravel heen en terug naar Sossuvlei, zouden ze nog wel halen … dachten we. We staan ’s morgens om vijf uur als derde in de rij te wachten tot de poort opengaat en komen na een klein uurtje als eerste aan in Sossusvlei. We wandelen naar Deathvlei, een soort dode vlakte tussen de duinen, waar ooit water gestaan heeft, maar die nu bezaaid is met dode bomen. Best wel indrukwekkend om hier de zon heel langzaam te zien opkomen en de vallei stukje voor stukje lichter te zien worden. Als we een tijdje later terug lopen naar Sossusvlei, komen we drie Zuid-Afrikanen tegen. Een van hen vraagt ons of wij diegene zijn met de Toyota Landcruiser. ‘Dan heb ik slecht nieuws voor jullie,’ zegt hij. ‘Laat me raden, hebben we een platte band?’ vraag ik. Natuurlijk! Nummer vijf! De volgende twee uren is Roland zoet met de band van de velg te halen (dat alleen al duurt een uur als je, zoals wij, niet het juiste gereedschap voor handen hebt), een nieuwe binnenband steken, de auto opkrikken en het wiel vervangen. Ik word ondertussen gezelschap gehouden door een afschuwelijk arrogante en irritante Amerikaan. We hebben hem gisteren al bezig gehoord aan het zwembad, een en al opschepperij over het feit dat hij filmproducer is, een huis in Bangkok heeft, bezig is voor een ‘héél bekend’ reisprogramma op tv (‘Kennen jullie ‘Don’t forget your passport’ niet? Hoe vreemd, het wordt nochtans uitgezonden in ik weet niet hoeveel landen), hoe dat leven toch helemaal niet zo super fantastisch is als iedereen denkt, dat hij eigenlijk te oud is geworden om nog op die manier te leven, dat hij nu alleen nog maar van zijn living naar zijn slaapkamer wil reizen, en nog meer van dat soort onzin. De twee Duitse dames waartegen hij zijn verhaal doet (net luid genoeg dat iedereen die in en rond het zwembad zit, ook kan ‘mee genieten’), zijn zichtbaar onder de indruk; wij vinden hem maar een kwal. En natuurlijk komt uitgerekend die kerel naast mij op de bank zitten, en hij is duidelijk ‘in the mood’ voor een praatje. Hij vraagt waar we vandaan komen en wat we aan het doen zijn enz. Ik antwoord, maar stel geen enkele wedervraag. Dan vertelt hij het maar uit zichzelf: ik ben filmproducent, … en blablabla. Ik vertik het om ook maar het minste enthousiasme te tonen en dat is hij blijkbaar niet gewoon. Roland heeft er plezier in. ‘Myriam, je wordt verwacht om vol bewondering te zeggen dat hij een super fantastisch, geweldig interessant leven heeft.’ Ja, amehoela! En wat doe je als je een arrogante Amerikaan bent en degene tegen wie je aan het opscheppen bent, reageert niet met: ‘wauw! You must have an interesting life!’ ??? Dan zeg je dat toch gewoon even zelf! ‘Ik weet wat je denkt, dat ik een heel interessant leven moet hebben, maar eigenlijk is het helemaal niet zo interessant hoor.’ En dan volgt het stukje over te oud zijn, te veel landen in te korte tijd moeten zien, van het ene vliegtuig in het andere moeten stappen, van de ene peperdure lodge naar de andere, eigenlijk alleen nog maar willen reizen van de living naar de slaapkamer enz. Als ik tegen hem zeg dat dat inderdaad niet echt boeiend zal zijn en vooral totaal niet zinvol, dan weet ie helemaal niet meer hoe hij het heeft. Het ‘gesprek’ is ineens heel snel afgelopen. Gelukkig komt er even later een heel leuke en vlotte Nederlandse mevrouw bij me zitten waar ik wel een aangenaam gesprek mee kan voeren en voor ik het weet, is de band hersteld en kunnen we weer verder. Het is ondertussen echter al zo heet geworden, dat we er maar vanaf zien om een van de hoge duinen in Sossuvlei te beklimmen. In de namiddag rijden we verder in de richting van de Fish River Canyon. We willen geen grote afstand meer afleggen vandaag, dus stoppen we in Maltahöhe, een klein stadje waar eigenlijk geen bal te zien valt, maar we vinden er wel een prachtige locatie om te kamperen: op een boerderij. Zo’n boerderij is altijd een groene oase in een verder vrij dor, rotsachtig en stoffig gebied. Er zijn drie kampeerplekjes gemaakt, perfect onderhouden, heel rustig (we zijn de enige gasten) en een prachtig uitzicht op de omringende bergen. Meer moet een mens niet hebben en dus blijven we weer een paar dagen hangen. En Roland mag weer een band herstellen, want ja hoor, nummer zes! De Fish River Canyon, onze laatste ‘bezienswaardigheid’ in Namibië. En wat voor een! 160 km lang, tot 27 km breed en 550 meter diep, na de Grand Canyon de grootste ter wereld. En hij is overweldigend, amai! De Fish River Trail, een vijfdaagse wandeling door de kloof, is niet mogelijk in de zomer, omwille van de hitte. We kunnen dus alleen naar de viewpoints gaan, maar die zijn meer dan de moeite waard. Op de camping worden we de volgende morgen geëntertaind door een stel bavianen, die op zoek zijn naar zowat alles wat eetbaar is. Bij elke kampeerplek staan drie grote vuilnisbakken: een blauwe voor glas, een groene voor plastiek en een oranje voor al de rest en het is blijkbaar niet de eerste keer dat die kerels (of dames) hier komen, want ze weten precies in welke vuilnisbak ze moeten springen. Vlak voor de grens met Zuid-Afrika willen we nog even onze laatste Namibische dollars spenderen aan diesel. We stoppen aan het eerste tankstation en krijgen daar te horen dat we maar voor honderd dollar kunnen tanken, want er is een dieseltekort in gans Namibië!? We begrijpen er niks van, want we hebben gisteren de tanken nog volgegooid en toen was er geen enkel probleem. Dan maar even naar het volgende tankstation, dat vijftig meter verder ligt. En daar kunnen we tanken zoveel we willen. Zie je wel, niks dieseltekort. Maar wat was dat dan hiernaast? Geen idee. We zouden er de volgende dagen echter snel achter komen, maar daarover meer in het volgende verslag. Tot in Kaapstad! |
|
| Geen
frames zichtbaar? Klik hier voor de volledige
versie.
Web design: Dominiek Croymans |
|