![]()
| "De reiziger is actief; hij ging koortsachtig op zoek naar mensen, avonturen, ervaringen. De toerist is passief; hij verwacht dat er hem interessante dingen gaan overkomen. Hij doet aan 'sight-seeing'." (Daniel J. Boorstin) | |
![]() |
|
|
2006-02-23 zie ook de fotopagina van Botswana lees ook de reistips over Botswana |
|
|
|
6 – 16 februari 2006 De grenspost in Dobe is zo klein, dat hij op geen van onze kaarten aangeduid staat. Douane is noch aan de ene, noch aan de andere kant te bespeuren, maar de politieman aan Namibische kant doet wel moeilijk over het feit dat we het nummer van de motor van onze Goofy niet kennen. Uiteindelijk kruipt hij dan maar zelf met een zaklamp onder de motorkap en na een kwartiertje heeft ie het nummer ontcijferd en kunnen we verder. In Botswana moeten ze de sleutel van de poort nog gaan zoeken. Hier passeren duidelijk niet veel voertuigen. Maar een desinfecterend voetbadje (tegen mond- en klauwzeer) hebben ze wel. De vriendelijke politieman wijst ons de meest berijdbare piste richting Nokaneng aan de Okavango-delta. Het is een prachtige rit. De piste staat regelmatig onder water, maar levert geen enkel probleem op voor onze Goofy. We willen bushcampen, maar het duurt een hele tijd voor we van de weg afkunnen, want overal staat het gras heel hoog en is de bush te dik om erdoor te kunnen. Vlak voor zonsondergang vinden we toch een heel mooi beschut plekje om te staan, alleen stikt het er van de muggen. Die beestjes hebben blijkbaar lang geen vlees meer gezien en hebben dus de avond van hun leven. Lange broek, kousen, lange mouwen, een handdoek rond ons hoofd en alle nog zichtbare lichaamsdelen volgesmeerd met anti-muggenspray; het mag allemaal niet baten. Het aantal bulten is niet meer te tellen; alleen al met die op mijn achterwerk (opgelopen tijdens mijn avondlijke bushkak) kan ik in het Guines Book of Records. In Maun nemen we onze intrek op de campsite van het Sedia hotel. Goedkoop, proper, een zwembad erbij, veel schaduw en lekker rustig, meer moet dat niet zijn. We zijn al snel beste maatjes met de nachtwaker, zeker nadat we ons brood met hem delen, en twee keer per dag komt hij langs voor een babbeltje. Hij is van Zimbabwe, maar probeert sinds het instorten van het toerisme daar, in Botswana aan de kost te komen. Al schaterlachend vertelt hij ons over die keer toen hij terug naar Harare moest om zijn paspoort te laten vernieuwen, hoe hij van het kastje naar de muur werd gestuurd en telkens iets anders te horen kreeg. Twee dagen lang hebben ze hem bezig gehouden voor hij iemand vond die bereid was hem te helpen. Hij beweert dat dit soort dingen tegenwoordig typisch zijn voor Zimbabwe. Maar zijn gevoel voor humor heeft hij toch nog niet verloren. Roland is in zijn element als hij weer eens een ganse dag aan onze Goofy kan prutsen en ik ben weer weken achter met het verslag, dus we weten ons weer nuttig te maken. We hebben besloten om geen vlucht over
de Okavango-delta te doen; we vinden het nogal kostelijk. Jeroen had het
wel gedaan en het was heel erg de moeite, vond hij, maar dieren had hij
niet gezien. Bovendien hebben we al een vlucht meegemaakt in Angola en
toen beweerde Thiago dat de Kwansa-delta leek op de Okavango-delta en
daar zijn we tevreden mee. Toch willen we graag iets van de delta zien.
We hadden aan de westzijde al geprobeerd om er in te rijden, maar toen
kwamen we vast te zitten in het diepe zand. Vanuit Maun proberen we het
opnieuw. De meest peperdure lodges liggen midden in de delta en zijn alleen
bereikbaar vanuit de lucht of via het water, maar hier en daar staat er
toch een op onze kaart die wel via een weg te bereiken is. We rijden dus
van de hoofdweg af, op weg naar zo’n lodge en denken dat we op die
manier een stukje van de delta te zien zullen krijgen. Niet dus. De 27
km lange piste naar de lodge loopt door hoge bush en nergens is er water
te zien. Maar we worden toch beloond voor onze moeite, want we zien impala’s,
verschillende giraffen en zelfs een olifant. Vanuit Maun kan je, via Moremi Wildlife Reserve, naar Chobe National Park. Dat is ons plan. We willen overnachten in Savuti, in het zuiden van Chobe, omdat we in de Lonely Planet gelezen en van Jeroen en Marie gehoord hebben dat dat een zogenaamd ‘rough camp’ is, wat wil zeggen dat je ’s nachts een invasie van wilde dieren kan meemaken. Het is alweer van Puros in Namibië geleden dat ik nog eens uit m’n daktent vloog omdat er ’s nachts een olifant naast m’n oren stond te trompetteren en in je bed liggen met op de achtergrond het gebrul van leeuwen, zoals we in Etosha meemaakten, dat is zowat van het heerlijkste dat Afrika te bieden heeft. We zien het dus al helemaal zitten, maar dan krijgen we te horen dat Moremi afgesloten is voor het publiek. Alle wegen in het park staan onder water, er is geen doorkomen meer aan. De mensen zeggen dat ze sinds 1950 niet meer zoveel regen gehad hebben, meer dan het dubbele van een normaal regenseizoen is er uit de lucht komen vallen. Wij hebben echter, op een avondlijk buitje na, nog geen regen gehad, maar blijkbaar is het in de voorbije weken, vooral in de parken, heel erg geweest. Voor ons betekent dit dat we de lange route, via Nata, naar Chobe moeten nemen, een paar honderd km omweg. We rijden dan maar in één trek naar Kasane, de noordelijke toegangspoort van Chobe, blijven daar een nachtje slapen en staan de volgende morgen, onder een stralende zon, gewapend met onze fototoestellen en de verrekijker, klaar voor de poort. Chobe is echt prachtig, vooral het gebied langs de Chobe-rivier, die zich als een blauwe ader doorheen uitgestrekte grasvelden kronkelt. De uitzichten zijn wijds en al van ver zie je de grote kolossen, die als je dichterbij komt, hippo’s en olifanten blijken te zijn, op hun dooie gemak naar de rivier toe slenteren. Uren brengen we langs die rivier door, zo mooi vinden we het er. Het aantal olifanten dat we deze keer te zien krijgen, is niet meer te tellen en voor het eerst kunnen we ook genieten van zwemmende, grazende, luierende en vechtende hippo’s. Het lijken me niet echt de meest aangename kerels in de omgang, met hun houding van ‘dit is mijn m³ water en jij valt mijn domein binnen, raak me niet aan of ik zal m’n grote bek eens even opentrekken’. Levert natuurlijk wel een prachtig schouwspel op, maar het lukt ons niet het ook op foto vast te leggen. “Die linkse, da’s nen agressieve bengel, die gaat zeker van z’n oren maken als die andere te dichtbij komt.” En met het fototoestel in de aanslag, ingezoomd en scherpgesteld, zit ik te wachten op de aanvaring tussen die twee lichtgeraakte dikkerds. “Nondedju, nu zitten er daarachter twee te vechten.” Maar tegen de tijd dat ik m’n fototoestel daar op ingezoomd heb, hebben die natuurlijk mekaar alweer vergeven en zijn onder water verdwenen. Je mag er donder op zeggen, maar elke keer als je een hoek hebt uitgekozen om in de gaten te houden, vindt het spektakel aan de andere kant van de poel plaats. We eten onze boterhammetjes op tussen de
olifanten aan de ene kant en een hele troep nieuwsgierige impala’s
en bavianen aan de andere kant. Afrika op z’n best! Opeens komen we op een asfaltweg uit en iets verder is een checkpost. Een van de mannen daar verzekert ons dat we nog wel in Savuti geraken voor het donker. Het is een goede gravelweg langsheen een aantal dorpen en pas de laatste 20 km kom je terug in het park, beweert hij. Dat blijkt inderdaad zo te zijn en we schieten goed op, tot we op 15 km van Savuti ineens voor een rivier staan, of althans zo lijkt het toch. De piste staat volledig blank, we weten niet of de ondergrond hard genoeg is om niet vast te komen zitten en we hebben nog maar een klein uurtje daglicht over. Het enige wat we kunnen zien, is dat hier niet lang geleden nog een voertuig gepasseerd is, want de sporen zijn heel vers. We wagen het er dus maar op. Het wordt een heel spannend uurtje, want het water stroomt bijna constant over de motorkap heen, maar uiteindelijk komen we, met heel klamme handjes, op een stikdonkere campsite aan, waar we verwelkomd worden door … twee olifanten. Verder is er niemand, er is geen personeel, we zien ook geen andere kampeerders en de deuren van de douches en de toiletten zijn wel open, maar er is geen elektriciteit. We parkeren onze Goofy vlak voor het toegangshekje van de doucheblok, want we zien het niet echt zitten om tussen de poten van de olifanten door te moeten plassen. We moeten, jammer genoeg, het leeuwengebrul om ons in slaap te sussen, missen, maar de olifanten, jakhalzen en bavianen houden ons wel de hele nacht gezelschap. ’s Morgens blijkt er toch nog een ander voertuig op de camping te staan, op een echte kampplaats en niet, zoals wij, met ons gat bijna in de doucheblok. We schateren het uit als we zien in welke belachelijke positie we hier gekampeerd hebben. Vandaag willen we lans de Linyanti-rivier gaan rijden om zo via een andere route terug aan de Chobe-rivier uit te komen. Aanvankelijk lijkt alles goed te gaan, maar na een tijdje staat er steeds meer water op de piste en plots zitten we vast in een dikke laag zwarte modder. De schop moet nog eens bovengehaald worden en na een half uur ook de zandplaten en de hi-jack, want er is geen beweging meer in onze Goof te krijgen. Net als Roland, na weer een half uur zwoegen in de hitte, de laatste zandplaat onder het voorste wiel heeft gestoken, horen we het geronk van een motor en even later komt een legertruck uit de bush gereden. The army to the rescue! Het sleeplint wordt bovengehaald en een halve minuut later staat Goofy weer op het droge. Met luid getoeter moet Roland de chauffeur nog duidelijk maken dat hij hem nu wel meer dan ver genoeg heeft getrokken, want hij was bijna terug tot in Savuti gereden met onze Goofy achter zich aan. Ik denk dat noch Roland, noch Goofy de vernedering ooit te boven zou zijn gekomen. “If there is water, you have to look for the bypass”, geven de militairen ons nog als goede raad mee, wat betekent dat we dus door de dichte bush moeten gaan crossen. De ene grote waterplas en modderpoel volgt de andere op en het duurt steeds langer om de plek te vinden waar onze voorgangers van de weg zijn afgegaan. Aan de ik weet niet hoeveelste modderpoel zijn we het spoor helemaal bijster, we weten dat we hier niet door kunnen zonder opnieuw vast te komen zitten en dus keren we om en nemen toch maar dezelfde route als gisteren. ’s Namiddags zijn we weer terug aan de Chobe-rivier en hier heeft het sinds gisteren namiddag blijkbaar serieus geregend. De piste, die gisteren nog kurkdroog was, staat nu ook regelmatig onder water. We hebben blijkbaar echt wel geluk gehad met het weer, want we hebben twee dagen onder een stralende zon rond gereden. We zien nog meer giraffen, impala’s,
bushbucks, hippo’s en olifanten als gisteren. In de vroege avond
komen ze blijkbaar allemaal tegelijk naar de rivier. Dichtbij de uitgang komen we echt midden in een
grote kudde terecht en van heel dichtbij kunnen we zien hoe de olifanten
met hun poten zand op hun slurf scheppen en die vervolgens naar boven
zwieren, zodat het zand zich over hun rug verspreidt. We hebben genoeg voor voyeur gespeeld; het wordt tijd om het park te verlaten. Aan de gate wijst hetzelfde meisje van gisterenmorgen me er echter op dat op onze papieren staat dat we het park voor 11 uur moesten verlaten, we hadden immers maar voor één nacht gereserveerd, en nu is het al na zessen. We moeten dus eigenlijk de toegangsprijs voor vandaag bijbetalen. Ik zet mijn meest zielige gezicht op en vertel haar ons ‘trieste’ verhaal over het vastzitten en hoe het leger ons er uiteindelijk heeft moeten uithalen (met hier en daar een kleine overdrijving) … en het werkt! We mogen verder zonder bij te betalen. We zijn heel content dat we Chobe toch nog gedaan hebben. Het stukje van Botswana dat we doorkruist hebben, heeft ons erg aangesproken en we hopen ooit nog wat meer van dit land te kunnen zien. Maar nu is het tijd om terug naar Zambia te gaan. Tot de volgende keer! |
|
| Geen
frames zichtbaar? Klik hier voor de volledige
versie.
Web design: Dominiek Croymans |
|