"De helft van het reisplezier is de esthetiek van het verloren zijn."
(Ray Bradbury)

 

verslag 'Botswana'
verslag 'Malawi'
2006-03-20
zie ook fotopagina van Zambia
lees ook de reistips over Zambia
 
 

16 – 27 februari 2006

Aan de grens van Botswana staat een lange rij voor het loket van de douane, die natuurlijk weer nergens te bespeuren valt. We gaan alvast onze paspoorten laten afstempelen en de dame van de immigratie trekt dan toch ergens een douanier met zijn kraag uit een of ander kotje om ons te helpen, want toeristen die met een ‘klein’ voertuig reizen, hoeven niet aan te schuiven in de rij met de truckchauffeurs.
De beambte is een verschrikkelijk irritant mannetje; hij duwt ons exportpapieren in de handen, die wij niet nodig hebben, maar daar heeft hij geen oren naar, hij laat ons zelfs onze eerste zin niet afmaken. Het heeft dus heel wat voeten in de aarde om hem aan het verstand te brengen dat we onze auto niet tijdelijk uitvoeren, want dat we van België zijn en dus niet meer terug komen naar Botswana. Als ik hem dan ook nog moet vertellen dat in Dobe, waar we het land zijn binnen gekomen, geen douane aanwezig was om ons carnet af te stempelen, raakt hij helemaal de kluts kwijt. Maar allez, na veel vijven en zessen vult hij toch het carnet in, zegt dat het geen probleem is dat we geen inkomende stempel hebben (dat moeten we in België dan nog zien!) en kunnen we de ferry op naar de overkant van de Zambezi, waar de Zambiaanse grenspost ligt. Hier gaat het een heel stuk vlotter en we hoeven deze keer geen visum te betalen. Als je bij Fawlty Towers of Jolly Boys Backpackers in Livingstone twee nachten reserveert, zorgen zij dat je je visum aan de grens gratis krijgt. Mooi meegenomen, want zo bespaar je toch weer 50$. Bij Jolly Boys is het, net zoals de vorige keer, heel druk. Het voelt vreemd om op dezelfde plek als drie weken geleden te staan, maar nu zonder Jeroen en Marie naast ons.

Onze volgende bestemming in Zambia is Lake Kariba, een artificieel meer dat de grens vormt tussen Zambia en Zimbabwe en dat ontstaan is in de jaren vijftig met het indammen van de Zambezi, waarbij 50 000 Tonga’s (het volk dat leefde rond Kariba) en 5 000 dieren (vijfendertig verschillende soorten, waaronder leeuwen, neushoorns en reptielen) geëvacueerd moesten worden naar hoger gelegen gebieden. Aan de kant van Zimbabwe is het meer heel toeristisch uitgebouwd (al zullen de meeste plekken wel leeg staan), maar aan Zambiaanse kant is dat veel minder het geval.

We rijden eerst naar Sinazongwe aan het zuidelijke uiteinde van het meer, waar we kunnen kamperen bij Gwembe Safari’s, een lodge die prachtig gelegen is aan de oever van het meer. De lodge is nog maar enkele dagen weer open, maar er is nog heel wat werk voor ze de eerste (rijke) toeristen kunnen ontvangen. Wij zijn de enige gasten en het is er zo kalm en vredig dat we besluiten om een paar dagen te blijven hangen. Dit is echt een plek om weer eens volledig tot rust te komen in de natuur.

We willen ‘binnendoor’ naar Siavonga aan het andere uiteinde van het meer rijden, maar dat blijkt niet mogelijk te zijn op het einde van het regenseizoen: de weg is onberijdbaar geworden. Dus moeten we een omweg maken via de verharde weg.
Ook Eagles’ Rest ligt op een heel mooi plekje aan het meer. Kamperen blijkt hier veel te duur te zijn naar onze normen, maar door een beetje te onderhandelen met de manager, mogen we uiteindelijk voor de helft van de prijs ons tentje opslaan.
We hebben geluk met het weer: het is heet en droog en dus blijven we ook hier twee dagen plakken. We halen de tijdschriften boven die we van Jeroen en Marie gekregen hebben en na twee dagen zijn we weer volledig op de hoogte van de Belgische politieke perikelen, de mode deze winter en de lifestyle van the rich and famous. Heel ‘nuttige’ informatie als je op reis bent in Afrika!

In de backpackers in Lusaka is het weer een heel stuk drukker. Het is een komen en gaan van rugzaktoeristen en naast ons op de parking staat een geel Volkswagenbusje. Tom en Bridget zijn een jaar geleden met een ‘round the world ticket’ van Australië naar Amerika gevlogen, hebben een aantal maanden in West-Afrika rond getrokken en zijn dan naar Zuid-Afrika gevlogen, waar ze dit busje gekocht hebben om zuidelijk Afrika te bereizen. Ze komen net uit Zimbabwe, waar ze zes weken hebben rondgetoerd en hun enthousiaste verhalen bevestigen het gevoel dat wij al hadden toen we het land uitreden: dat we meer tijd hadden moeten uittrekken om Zimbabwe grondig te bezoeken. Ook dat zal voor een andere keer zijn, want als we nu opnieuw Zim inrijden, geraken we zeker niet op tijd terug in België.

De dieselprijs in Zambia is afschuwelijk hoog (ongeveer 1.25 euro per liter); bovendien is de infrastructuur zodanig uitgebouwd dat je, als verschillende gebieden wil bezoeken, telkens terug naar Lusaka moet rijden. Er zijn zo goed als geen verbindingswegen tussen de grote routes en de weinige die er wel zijn, zijn in dit seizoen onberijdbaar. We besluiten dan maar om via de Great East Road naar Malawi te rijden. We hebben Stefaan gevraagd om een onderdeel van onze compressor op te sturen naar Lilongwe en als alles goed is, zou dat over een kleine week moeten aankomen. Nog genoeg tijd om voor een paar dagen naar South Luangwa National Parc te gaan.

Een zeventig kilometer vóór Chipata nemen we een piste die ons naar het zuidelijke puntje van het park moet brengen. We passeren verschillende huttendorpjes en de mensen die we onderweg tegenkomen zijn super vriendelijk. We gaan op zoek naar de Anglicaanse missie in Msoro, want South Luangwa halen we vandaag niet meer. Net als het donker begint te worden, krijgen we een lekke band (nummer acht!). Zoiets gebeurt natuurlijk altijd op de meest onmogelijke momenten, maar met wat hulp van de lokalen, staan we rond negen uur toch voor de deur van de decaan van de missie. Die is er niet, maar zijn jonge vrouw Veronica, nodigt ons uit om in plaats van op het terrein van het schooltje, in hun huis te komen logeren. Zij hebben al gegeten, maar ze wil met veel plezier nog wel iets voor ons klaarmaken. Dat aanbod slaan we toch maar vriendelijk af; het ziet er hier niet naar uit dat ze voedsel in overvloed hebben.

’s Morgens stroomt het erf vol met kinderen; blijkbaar zorgt deze vrouw voor de voorschoolse opvang. Ze staan ons allemaal met grote ogen aan te kijken, blanken zien ze hier niet zo vaak en dat maakt ons tot een echte bezienswaardigheid.
Veronica weet ons te vertellen dat we via deze route South Luangwa niet zullen bereiken. We moeten twee rivieren oversteken en dat is niet te doen in deze tijd van het jaar. We moeten terug naar de hoofdweg en dan via Chipata naar het park rijden.

In Chipata willen we onze band laten repareren. Sinds onze klapband in Botswana hebben we maar één reservewiel meer. Het andere ligt op het dak van Goofy met zo’n grote scheur erin, dat ie alleen nog maar dienst kan doen als waterreservoir.
We stoppen aan een zaakje waar ze banden repareren en voor 15 000 kwacha zullen ze het gaatje in de binnenband wel eens even plakken. Roland zet er zich op z’n gemak bij, content dat hij er deze keer zelf niet aan moet beginnen prutsen. Er komt wat volk bij zitten om een babbeltje te slaan en voor we het weten, is onze band weer gerepareerd. Roland krijgt een papiertje onder zijn neus geduwd – de rekening – en vraagt wat dit moet voorstellen. 180 000 kwatcha staat er op het briefje! 45 euro om een band te laten plakken, dat moet toch wel een vergissing zijn. Nee, geen vergissing, dit is de prijs. De kerel met wie we 15.000 kwatcha hadden afgesproken, blijkt ineens geen Engels meer te spreken en de mannen met wie Roland daarnet nog zat te praten, komen rond hem staan en denken er zich allemaal mee te moeten moeien. Wij zijn echter al te lang onderweg om ons daardoor nog te laten intimideren. De 15 000 kwatcha die afgesproken is, kan hij krijgen, maar geen cent meer. We maken hen duidelijk dat ze er niet van moeten uitgaan dat we ‘domme, blanke toeristen’ zijn die uiteindelijk wel zullen betalen.
Ze willen de 15 000 kwatcha niet aannemen, ze moeten meer hebben. Ok, geen 180 000, maar dan toch zeker 50 000. Wij blijven weigeren, zij ook en het einde van het liedje is dat we wegrijden zonder te betalen.

Op The Wildlife camping in South Luangwa horen we dat heel wat wegen in het park nog steeds afgesloten zijn, de toegangsprijs is behoorlijk hoog en een nightdrive vinden we al helemaal te duur, zeker nu niet het seizoen is. We weten dat South Luangwa een prachtig park is, waar je heel veel wild te zien krijgt (o.a. luipaarden) want we zijn hier vijf jaren geleden al geweest, maar 75 $ voor een park waarvan het grootste gedeelte van de zijwegen afgesloten is, vinden we te veel. Bovendien liggen er nog andere parken op onze route, die we nog niet bezocht hebben.

We blijven toch drie nachten op de camping, want er valt genoeg te beleven. Tegen valavond komen de hippo’s aan land om te grazen, een groepje olifanten komt op bezoek en als het helemaal donker is, horen we de hyena’s in de verte lachen en de leeuwen, iets dichterbij, brullen. Er zijn ook weer enkele andere reizigers om mee te kletsen, zoals een Nederlandse vader en zoon, die met z’n tweeën een maand door zuidelijk Afrika trekken, onze Franse buren, de lokale dokter, die zich sinds ze hem in Engeland met pensioen gesteld hebben, hier gevestigd heeft en ook Tom en Bridget komen de dag na ons aan. Bridget en ik gaan ‘schilderijen kijken’ bij Katherina, een Amerikaanse kunstenares die al jaren in Italië woont en nu voor vier maanden in Zambia is. Achteraf horen we van een Schotse jongen dat Katherina in een Brits tijdschrift vermeld werd als behorende tot de top van Europese kunstenaars.

Op maandag 27 februari rijden we terug naar Chipata en vandaar naar de grens met Malawi. Meer daarover in een volgend verslag.

Tot de volgende keer!

verslag 'Botswana'verslag 'Malawi'
Geen frames zichtbaar? Klik hier voor de volledige versie.
Web design: Dominiek Croymans