![]()
"Dat is het wonderlijke van reizen met je gezin: het levert je ervaringen op die voor altijd als littekens in je geest opgeslagen zullen zijn." (Dave Barry) |
|
|
2006-05-28 zie ook fotopagina van Kenia lees ook de reistips over Kenia |
|
|
|
24 april – 14 mei 2006 Van de grens rijden we in één ruk terug naar Lake Victoria en slapen een nachtje in Kisumu voor we verder rijden naar Oyugis. Broeder Frans verwachtte ons pas morgen of overmorgen, maar we worden hartelijk ontvangen in het prachtige, nieuwe broederhuis. In Oeganda was de paasvakantie bijna voorbij, dus dachten we dat we wel goed zaten om een van de scholen te bezoeken die deel uitmaken van het Oyugis Integrated Project (voor een uitgebreidere uitleg over wat het project precies inhoudt: zie ‘Ons project’), maar Kenia heeft natuurlijk weer een heel ander systeem. Het schooljaar is hier ingedeeld in drie ‘terms’ en aan het einde van elke term is er een vakantie van ongeveer een maand. En wij komen natuurlijk weer net midden in zo’n vakantie aan. Maar Broeder Frans weet wel iets te regelen, zegt hij. Zijn wij aanvankelijk van plan maar een dagje te blijven, om de mensen hier zo weinig mogelijk te storen, Broeder Frans denkt er echter anders over. We mogen niet voor vrijdag vertrekken … en wij gaan meteen akkoord, want het is hier best aangenaam toeven. We krijgen een kamer in het grote broederhuis, met onze eigen badkamer (super de luxe!), drie keer per dag worden we verwend met de lekkerste maaltijden, ’s avonds genieten we op het terras van de zonsondergang en van de vele gesprekken met Broeder Frans en elke dag is het stralend weer. In de drie dagen die we in Oyugis doorbrengen, bezoeken we de school waar Broeder Frans werkt, een tweejarige beroepsopleiding met verschillende afdelingen, zoals houtbewerking, automechanica, metselen, metaalbewerking en snit en naad. De directeur ontvangt ons hartelijk, geeft uitleg en leidt ons rond. En het valt ons op dat er, ondanks de vakantie, toch leerkrachten en leerlingen aanwezig zijn. Ook tijdens de vakantie zijn er opdrachten die afgewerkt moeten worden. Zo moeten er in de afdeling houtbewerking twee doodskisten gemaakt worden voor een begrafenis op vrijdag en eentje op zaterdag. We worden ook meegenomen naar een van de middelbare scholen, opgericht voor weeskinderen wiens ouders gestorven zijn aan aids en andere arme kinderen die het normale schoolgeld niet kunnen betalen. Ook hier krijgen we een uitgebreide rondleiding van de directeur. En ook hier zijn heel wat leerkrachten en nog meer leerlingen aanwezig. Ze moeten de vakantie gebruiken om zich voor te bereiden op de nationale examens en de leerkrachten helpen hun studenten hiermee door hen bijles te geven (gratis!). Pamela, een van de verpleegsters werkzaam in OIP, leidt ons rond in het centrum waar HIV- en aidspatiënten terecht kunnen voor gezondheidszorgen en sociale bijstand. Nadien neemt ze ons mee op ‘home base care’ (een hilarische rit, want Pamela heeft nog maar drie maanden haar rijbewijs en de plattelandswegen zijn niet bepaald in goede staat). Mensen die op het platteland wonen en te ziek of te arm zijn om naar Oyugis te komen voor behandeling, worden thuis bezocht. Een netwerk van vrijwilligers bezoekt deze mensen, houdt van elke patiënt een dossier bij en brengt verslag uit aan de verpleegsters van OIP. Vervolgens worden de patiënten door de verpleegsters en de vrijwilligers samen bezocht, hun situatie wordt besproken en de nodige maatregelen genomen. De eerste patiënt die we bezoeken is een man die erg ziek is – aids in een vergevorderd stadium. Pamela spreekt af met de vrijwilligster en de moeder van de man dat hij zo snel mogelijk naar Oyugis moet komen voor röntgenfoto’s van zijn longen; zijn hoest is namelijk verschrikkelijk. Voor ons is het een behoorlijke shock om deze man zo ziek te zien, hij is graatmager en kan nauwelijks op zijn benen staan. Maar Pamela zegt dat hij er veel beter uitziet dan toen ze hem de eerste keer zag; toen dacht ze dat hij het einde van de dag niet zou halen. De tweede patiënte is een jong meisje, ook zij heeft aids, maar de medicijnen die ze nu al een tijdje aan het nemen is, hebben haar toestand enorm verbeterd. Ook de laatste patiënt is erg vooruit gegaan door de medicijnen. Pamela spreekt met de vrijwilligster af dat die de volgende dag naar Oyugis komt om nieuwe medicijnen te komen halen voor haar patiënten, want de verpleegsters zelf brengen geen medicijnen meer mee. Dat deden ze vroeger wel, maar het werd een onhoudbare situatie, want in elk dorp waar ze kwamen, stroomden de mensen toe om om medicijnen te komen vragen en binnen de kortste keren was hun koffer leeg. Daarom werken ze nu met vrijwilligers die een fiets gekregen hebben van OIP, zodat ze naar Oyugis kunnen komen om de nodige medicijnen te komen ophalen. In Oyugis is Broeder Frans bij iedereen gekend. Iedereen mag hem graag, op straat wordt hij constant aangesproken en om de haverklap staat er wel iemand aan de deur, die zijn advies komt vragen of over zijn of haar problemen komt praten. En Frans maakt tijd voor iedereen. In het broederhuis leren we Elisabeth kennen, een doofstom meisje dat, dankzij de financiële steun van een Belgische vrouw, naar school kan gaan. Tijdens de vakanties helpt ze in het broederhuis in de keuken en ze is echt het zonnetje in huis. Ze heeft een heel sterke band met Broeder Frans, ze plagen mekaar voortdurend en er wordt heel wat afgelachen. Als Frans op een avond bij ons op het terras zit, komt ze hem aan z’n oren trekken: hij is te laat voor zijn avondgebed in de kapel. Op vrijdagmorgen willen we naar Masai Mara
rijden, maar we zitten zonder gas en kunnen dus niet koken. Eerst de gasflessen
laten vullen en dat kan in Nairobi. Als we ’s avonds in de keuken staan te koken, komt er ineens een man binnen gelopen die roept: ‘Waar zijn die Belgen hier?’ Zo leren we Erik en Nele kennen, zulke leuke mensen dat de uren weer voorbij vliegen. En dat de wereld heel klein is, blijkt ook nu weer, want we blijken gemeenschappelijke kennissen en vrienden te hebben. Waren Erik en Nele aanvankelijk van plan de volgende morgen verder te reizen naar Tanzania, na ongeveer een uur beslissen ze al om nog maar een dagje langer te blijven. Wij content natuurlijk. ’s Zaterdags rijden we samen naar het industrieterrein van Nairobi. Niet meteen de grootste toeristische trekpleister van de stad, maar zij moeten blijkbaar ook hun gasfles laten vullen. Eric toont ons ook de plaats waar je de bladveren van de auto kan laten versterken en we maken maar meteen een afspraak voor woensdag, als we terug zijn van Masai Mara. We wisselen reistips en leesvoer uit (waardoor ik nu hopelijk safe zit voor de rest van de reis – bedankt Nele! - Harry Potter is al verslonden!) en tetteren, tetteren en tetteren nog meer. Heerlijk. Op zondag vertrekken we samen, zij richting
Arusha en wij naar Masai Mara. Alle parken die we deze reis bezocht hebben,
vonden we heel mooi, maar Masai Mara is toch wel echt een topper, en niet
alleen omwille van de gigantische hoeveelheid wild dat er zit; maar ook
het landschap is adembenemend mooi. Dit is de savanne die we kennen van
films en documentaires op tv, het typische Afrikaanse landschap waar ik
als kind al van droomde telkens ik naar een aflevering van ‘Daktari’
had gekeken. En nu zijn we hier echt en we kunnen naar hartelust rondrijden.
Het weer is schitterend en alle wegen zijn perfect bereidbaar, tot de
kleinste ‘sidetracks’ toe. Vol verwondering en met heel veel
enthousiasme storten we er ons in. Geen luipaard, maar wel enorm veel leeuwen
(tel kwijt geraakt bij 25), hyena’s, topi’s en al de andere
beesten en beestjes die je in de meeste parken te zien krijgt. Op dinsdagavond zijn we weer terug in Jungle Junction. We laten Goofy’s bladveren verstevigen, gaan op zoek naar nog een aantal kleine onderdelen (mijn favoriete bezigheid ?), hangen wat rond in Nairobi centrum en leren steeds weer nieuwe mensen kennen bij JJ’s. De meest opvallende gasten zijn ongetwijfeld Ashley en Claire die met hun 4 (!) kinderen in één landrover voor een jaar door Afrika reizen. Een drukte van jewelste, maar wel een heel leuke bende. Een even opvallende, maar minder zichtbaar aanwezige gast, is ons nieuwe, doch ongewenste, huisdier. Kleine pootafdrukjes in het stof, een pak koeken waaruit drie exemplaren verdwenen zijn zonder dat de verpakking volledig opengescheurd is en een gat in de vloerbekleding. Een grondige speurtocht levert niets op, dus zit er niets anders op dan over te gaan op meer drastische maatregelen. ’s Vrijdags proberen we ons visum voor Ethiopië vast te krijgen, maar 5 mei is blijkbaar een nationale feestdag in Ethiopië en dus moeten we maandag terugkomen. Nog een weekendje langer bij JJ’s. Hmm, er zijn ergere dingen in het leven. We bezoeken het Karen Blixen museum. Ik herinner me de openingszin uit het boek: ‘I had a farm in Africa, … at the foot of the Ngong-hill.’ En daar staan wij nu echt. Toch wel een speciaal gevoel om in de boerderij van ‘Out of Africa’ rond te lopen. Heel wat meubels zijn, na de veiling die Karen hield toen ze terug naar Denemarken moest, terug gevonden (en zo waan je je even helemaal in de film), de kleren die Meryl Streep en Robert Redford droegen, hangen in de slaapkamer en overal zie je foto’s van de echte Karen Blixen, haar echtgenoot en haar minnaar. Op maandag doen we een tweede poging om ons visum te bemachtigen en deze keer gaat het vlot. In de namiddag mogen we het komen ophalen. Totaal onverwacht lopen we Tom en Bridget (Australisch koppel dat we in Lusaka leerden kennen) tegen het lijf. Zij hebben hun Volkswagen busje in Johannesburg achtergelaten en hebben een (betaalde) lift gekregen op een lege Overlander-truck die hen in 7 dagen naar Nairobi heeft gebracht. Een heel leuk weerzien en ze besluiten meteen met ons mee te komen naar JJ’s. Een van de gasten bij JJ’s, Erika, heeft heel wat pech met haar auto. Ze is zowat een jaar geleden in Namibië vertrokken, samen met een vriendin, en ze hebben alles bij elkaar zeker drie maanden doorgebracht in allerhande garages en workshops. Ook nu is er weer vanalles mis en Erika staat er eigenlijk helemaal alleen voor. Als vrouw alleen met een auto reizen en niets afweten van mechanica, dat is een ramp in Afrika. We hebben met haar te doen als ze haar verhaal doet en Roland voelt zich ellendig dat we niet langer kunnen blijven om haar te helpen met de hele garage-miserie. Maandagnamiddag kan hij zich toch nog nuttig maken door, met de hulp van Tom, de bumper weer mooi recht te trekken en hij rijdt met haar een paar garages af om te helpen een fatsoenlijke prijs te krijgen voor het werk dat nog gedaan moet worden. Na nog een kort, maar peperduur bezoekje aan een oogarts, die vaststelt dat Roland een dubbele ooginfectie heeft, en de nodige medicijnen opgehaald te hebben, kunnen we dinsdagmiddag terug op weg. We proberen Tom en Bridget af te zetten aan het busstation waar ze een rechtstreekse bus naar de grens met Ethiopië kunnen nemen, komen daardoor in een buurt van Nairobi terecht waar het ons al snel duidelijk wordt dat we hier beter hadden kunnen wegblijven, Roland wordt bijna beroofd van zijn horloge terwijl we in de file staan en dus besluiten we wijselijk hier zo snel mogelijk te verdwijnen. We nemen Tom en Bridget mee de stad uit en zetten hen een paar uur later af in Gilgil, waar ze hun reis naar de grens zullen verder zetten. We hopen hen in Ethiopië opnieuw te ontmoeten. Wij slaan ons kamp op aan Lake Elmenteita, een van de soda-meren in de Rift Valley, bekend om zijn flamingo’s en de volgende morgen volgen we de Rift Valley verder naar het noorden, naar Lake Baringo, een zoetwatermeer (en dus met hippo’s en krokodillen). Alain en Hendrik, twee jonge gasten die we in Jungle Junction hebben leren kennen, doen hier drie maanden lang, onderzoek naar weaverbirds. Ze hebben een huisje gehuurd in Roberts Camp, waar wij kunnen kamperen, en vijf minuten nadat we hen begroet hebben, worden we al uitgenodigd door Marc, de Ierse manager van de camping om bij hem en zijn vrouw te komen lunchen. Dat begint hier al meteen goed. Aan Lake Baringo is het warm, héél warm. Een aangename afwisseling na Nairobi, waar het naar onze zin, te veel regende en ’s avonds te koud was om buiten te zitten. Alain en Hendrik zitten nochtans op regen te wachten, want dan beginnen de weavers te broeden. Meer dan een druppel is er nog niet uit de lucht komen vallen. Wij content, natuurlijk, maar ’s avonds begint het ineens te gieten. Alain en Hendrik heel tevreden, wij iets minder. De bui duurt niet zolang, maar onze stoelen (natuurlijk weer te laat aan gedacht) zijn doornat geworden en dus maken we (noodgedwongen) een walking diner. Ook Roberts Camp is zo’n plekje waar we moeilijk weer weg geraken. Het is er prachtig, lekker rustig, je ziet en hoort er tientallen verschillende vogels (en ze zijn echt niet bang van mensen, dus kan je ze van heel dichtbij bestuderen), een reuzenschildpad komt ons een paar uur gezelschap houden (ze heeft er de hele ochtend over gedaan om de vijftig meter naar de achterdeur van onze Goofy af te leggen en daar is ze met geen stokken meer weg te krijgen) en ’s nachts zijn we omsingeld door grazende hippo’s. Na twee dagen zetten we onze tocht verder naar de grens met Ethiopië. We komen zo’n tweehonderd kilometer vóór Marsabit op de Isiolo-Moyale ‘highway’ terecht. De locals noemen deze weg zo, al zal geen enkele Europeaan het in zijn hoofd halen dat woord te gebruiken; het is de slechtste piste van gans Kenia. Reizigers die de oostroute nemen, vinden dit allemaal de slechtste piste van hun ganse reis en er is al menig auto-onderdeel gesneuveld onderweg. Ook wij ontkomen er niet aan: onze batterij begeeft het in Laisamis en van Marsabit naar Moyale gaat een van onze waterbidons stuk, waardoor 20 liter wegstroomt en onze lade in een klein meertje omgetoverd wordt. Maar we zullen maar niet klagen, want de highway geeft ons nog een serieuze bonus: maar liefst vier cheeta’s lopen voor ons op! Totaal verbouwereerd vliegen we op de rem en kijken gefascineerd toe hoe ze langzaam in het struikgewas verdwijnen. Aan ons fototoestel denken we natuurlijk pas als ze al verdwenen zijn. We hebben een heel leuke tijd gehad in
Kenia en nu maken we ons klaar om de nachtmerrie van menig reiziger tegemoet
te gaan: Ethiopië! (Al zijn we gelukkig ook een paar mensen tegen
gekomen die er wel heel positief over zijn.) Tot de volgende keer! |
|
| Geen
frames zichtbaar? Klik hier voor de volledige
versie.
Web design: Dominiek Croymans |
|