![]()
"Reizen
is bijna als spreken met mensen uit vorige eeuwen." |
|
|
2006-06-15 zie ook fotopagina van Ethiopië lees ook de reistips over Ethiopië |
|
|
|
14 mei – 10 juni 2006 We komen Ethiopië binnen in het jaar 1998. En wij ons maar zorgen maken over de drie maanden en een half die we nog over hebben om tot in België te geraken. Vanaf nu kunnen we het op ons gemak doen; we hebben nog acht jaar te gaan! We kijken meteen in de spiegel om te zien of we er op de een of andere miraculeuze wijze ook acht jaar jonger uitzien, maar zo gul is moeder natuur jammer genoeg niet. We moeten ook een beetje wennen aan de Ethiopische klok. Een dag is hier ingedeeld in twee keer 12 uur en 6 uur ’s morgens is voor hen het uur nul. Ethiopië is, van alle landen die we bezocht hebben tijdens deze reis, het enige dat nooit echt gekoloniseerd is geweest door een Europese macht. Niet dat de Europeanen het nooit geprobeerd hebben, met name de Italianen waren zeer geïnteresseerd in het toenmalige Abyssinië, maar ondanks het feit dat ze tussen 1936 en 1941 de meeste grote steden in hun bezit hadden, zijn ze er nooit in geslaagd het land volledig onder controle te krijgen. De Omo-vallei staat eerst op ons programma. Vrij uniek in de wereld omwille van het feit dat er in zo’n klein gebied zoveel verschillende etnische stammen leven. Acht dagen lang rijden we van het ene dorpje naar het andere, stoppen onderweg om te proberen een babbeltje te slaan met de voorbijgangers (waarbij we ons meestal moeten behelpen met wat elementaire gebaren, want ze spreken geen woord Engels) en bezoeken de marktjes. Overal waar we komen nemen we een horde kinderen op sleeptouw (aan elke vinger één) en de grotere ontpoppen zich tot goede gidsjes, want zij zijn meestal de enigen die vrij goed Engels spreken. Op die manier kunnen we toch min of meer een behoorlijk gesprek voeren met de volwassenen en leren we heel wat over de verschillende stammen, zoals de Hamer en de Banna (en nog een aantal kleinere groepen waarvan we de namen alweer vergeten zijn). Oeroude stammen met al even oude tradities. Vooral de vrouwen zien er prachtig uit in hun geitenleren rokjes, met hun juwelen die allemaal een betekenis hebben en hun knap ineen gevlochten en met oker ingesmeerde kapsels. De jonge (en verdorie knap gebouwde – amai die benen!) krijgers tonen trots hun messen en geweren en laten zien hoe ze ze gebruiken in de jacht (ja, want dat weten die domme blanken natuurlijk niet). Ook hun kapsels zien er soms heel kunstig uit. Sommigen dragen een haarstukje gemaakt van klei, compleet met struisvogelveren, een teken dat ze onlangs een vijand of een gevaarlijk dier gedood hebben. Geen enkele man zie je rondlopen zonder zijn hoofdsteuntje, want ook ’s nachts moet dat kapsel in de plooi blijven. Als we voor de tweede keer van Turmi naar
Dimeka rijden, stoten we op een onverwachte hindernis: een rivierbedding
die twee dagen geleden nog droog was, is nu omgetoverd tot een snelstromende
rivier en in het midden zit een UN-voertuig muurvast in het zand, terwijl
het water langs alle kanten naar binnen stroomt. We proberen de auto er
weer uit te trekken, maar er is geen beweging in te krijgen. Na een tijdje
komen van nog twee pick-ups aangereden, vol volk, en iedereen wordt ingeschakeld
in de ‘reddingsactie’. Met veel enthousiasme, maar het verstand
op nul vliegen ze erin: de ene begint hier een dam te bouwen, de andere
daar, weer anderen proberen met boomstammen een hefboom te maken om het
wiel uit de blubber te krijgen … en na uren komen ze tot de ontdekking
dat het water nog altijd naar de auto toe stroomt (voor ons vrij logisch
als je de stukjes dam niet met elkaar verbindt) en dat het enige resultaat
van de ‘hefboomactie’ is dat de UN-mensen nu ook nog met een
kapotte band zitten. Afrikaanse efficiëntie op z’n best. In Jinka lopen we Tom en Bridget weer tegen het lijf. Ze logeren bij Seth, een Zweed die hier al 28 jaar woont en het gebied dus heel goed kent. Hij is al een aantal dagen aan het proberen een truck te vinden om naar Mursi-gebied te gaan, maar zonder succes. Door de regen zijn de wegen ernaartoe onberijdbaar geworden; niemand geraakt erdoor en dus zien wij er ook maar vanaf. Op de markt van Jinka slaan we een nieuwe voorraad verse groenten en fruit in (spotgoedkoop), we drinken héél veel macchiato’s (kleine koffietjes met gestoomde melk, hmmmmmm – die Italianen hebben toch nog hun nut gehad hier!) en worden bedolven onder de studenten die net hun examen geschiedenis achter de rug hebben en nu van mij willen weten of ze de juiste antwoorden gegeven hebben. Geen kat die de vragen begrijpt, ze hebben alles vanbuiten gestudeerd (in het Engels, want alle vakken worden in het middelbaar in het Engels gegeven), maar hebben er geen flauw idee van waarover het gaat. Joeng, joeng! Al goed dat de Vlaamse inspectie hier niet langs komt. Van Jinka rijden we weer terug naar Turmi en de volgende dag naar Konso. Onderweg stoppen we nog in een Banna-dorpje (denken we), maar hier zijn we duidelijk niet de eerste toeristen die langskomen. ‘Foto, money en caramelo’, zijn blijkbaar de belangrijkste woorden ter wereld, want het zijn de enige die ze kennen. Wegwezen hier, en zo rap mogelijk, is onze eerste gedachte. Maar een vrouw houdt me tegen. Met gebarentaal probeert ze duidelijk te maken dat er iets mis is met iemand zijn ogen. Ze roept wat naar een meisje dat een eind verderop staat en even later komt een stokoud mannetje naar ons toe gestrompeld, een omslagdoek diep over z’n voorhoofd getrokken. Zijn rechteroog is ontstoken en het is duidelijk dat hij pijn heeft. Of wij kunnen helpen? Heeft die meneer even geluk! We hebben nog wat oogdruppels over na Rolands ooginfectie en in dezelfde gebarentaal (en met Roland als didactisch materiaal) maken we hen duidelijk hoe en hoe vaak ze die moeten gebruiken. Het mannetje en zijn vrouw dolgelukkig en super dankbaar en de rest van het dorp is ineens vergeten dat ze money en caramelo’s wilden. Toen we Ethiopië binnenkwamen viel het ons op dat de mensen hier een ietwat vreemde begroetingsceremonie hebben. Onbekenden geven mekaar een hand, maar vrienden krijgen de, wat wij de ‘schouderkus’ zijn gaan noemen. Ze omhelzen mekaar terwijl ze eerst de rechter- en daarna de linkerschouder tegen mekaar drukken. En als je ergens voor de tweede keer binnenkomt, word je blijkbaar al als een vriend beschouwt en krijg je meteen twee ‘schouderpakkerds’. In Arba Minch kamperen we in de tuin van een hotel, van waaruit we een mooi zicht hebben op Lake Abaya en Lake Chamo, de mooiste meren van de Rift Valley. Van daaruit rijden we verder naar Awasa, waar we neerstrijken in de tuin van Kurato en Jana, een Ethiopisch-Duits koppel dat hier een camping uitbaat. Het zijn zulke warme en gastvrije mensen, de 7-jarige tweeling Meron en Brookie zijn echte schatjes en Jana’s kookkunsten zijn zo voortreffelijk, dat we al vanaf het eerste moment weten dat we hier weer gaan blijven plakken. Vijf dagen pure verwennerij. Zalig. Ik ben helemaal weg van haar huis, dat aan de buitenkant geen ramen heeft, maar vanbinnen helemaal opgebouwd is rond een centrale binnentuin, die voor heel veel licht zorgt. Als ik voorstel om aan huisruil te doen, is ze meteen akkoord. Ik geloof m’n oren niet, maar volgens Jana wordt het leven in Ethiopië steeds moeilijker. Ze hadden vroeger een koffiehuisje iets verderop, maar hebben dat moeten sluiten omdat de jaarlijkse taksen van de ene dag op de andere meer dan vertwintigvoudigd werden. Vroeger hadden ze een 4x4, maar ook die werd te duur. Nu rijden ze allemaal met de fiets, maar ook daar heeft de regering onlangs taksen op geheven. Bovendien is Ethiopië blijkbaar niet meer zo populair bij een aantal donorlanden, want het buitenlands geld dat elk jaar binnenstroomt (en waarmee ministers en andere ‘machtige’ Ethiopiërs o.a. hun Zwitserse bankrekeningen mee vullen – zoals een aantal kritische geesten ons vertelt) is serieus verminderd, wat resulteert in het verhogen van allerhande taksen én levensnoodzakelijke voedingsmiddelen worden steeds duurder. En toch blijven Jana en Kurato lachen. ‘Ach,’ zegt ze, ‘we zijn al zovaak vanaf nul moeten herbeginnen, dat we eraan gewoon geraakt zijn. We zijn met weinig tevreden. Maar we hebben echt klanten nodig, mensen zoals jullie, die hier een tijdje blijven logeren en mee-eten, anders wordt het héél moeilijk.’ Wij beloven alvast iedereen die we tegenkomen, een folder te geven en hen deze kant op te sturen. Als we in Addis Ababa aankomen, regent het. De ideale gelegenheid om Lucy te bezoeken. Niet dat we van haar veel communicatie moeten verwachten, want Lucy is al meer dan 3,2 miljoen jaar dood. Ze werd in 1974 in het noordoosten van Ethiopië gevonden en was toen de oudste en meest complete mensachtige ooit ontdekt. Haar botten worden bewaard in het Nationale museum en daarheen zijn wij op weg, als we ineens twee bekende gezichten naast onze Goofy zien opduiken. Inge en Olaf hebben we een paar jaar geleden leren kennen via Stefaan Vandierendonck, die toen een cursus 4x4-rijden organiseerde voor alle koppels die bij hem een auto gekocht hadden en van plan waren om door Afrika te gaan rijden. Wat een verrassing om hen hier, drie jaar later, in het midden van een kruispunt in Addis, opnieuw tegen het lijf te lopen. Lucy heeft al meer dan drie miljoen jaren gewacht vóór iemand haar ontdekte, die kan zal zich dus ook nog wel tot morgen content doen, voor twee onbeduidende Belgen haar vereren met een bezoekje. We duiken een leuk ‘tentje’ (want we zitten nu tussen de Hollanders) in voor een lekkere cappucino (of twee) en komen er de volgende uren niet meer uit. ’s Avonds nemen Inge en Olaf ons mee naar het Baro hotel, waar in de loop van het weekend steeds meer overlanders de parking opgereden komen. Uiteindelijk staan we er met zes voertuigen en daarmee staat de zaak afgeladen vol. Sommigen zijn oude bekenden, zoals Kesete en zijn twee Sri-Lankese vrienden, die we in Dar Es Salaam al leerden kennen en ’s maandags namiddags komen ook Tom en Bridget het hotel binnengewandeld. Maar we leren ook weer nieuwe mensen kennen, zoals Mia en Ilan uit Zuid-Afrika en Kenia, en Bob en Baukje (iemand met zo’n naam kan natuurlijk alleen maar uit Nederland komen), een heel leuk koppeltje dat een maand na Inge en Olaf uit Nederland vertrokken is. Het wordt weer een heel gezellige boel; er wordt heel wat afgekletst en gelachen en mijn reisbibliotheek is weer aangevuld (bedankt, jongens!). Alléén … Lucy schiet er bij in. Communisten en een virus gooien roet in het eten. ’s Zondags doen we een tweede poging om naar het Nationaal museum te gaan, maar daar staan we voor een gesloten poort. ‘It’s happy day’, zegt een van de bewakers. We rijden naar het Etnologisch museum, dat het beste van het land moet zijn, maar ook hier is het ‘happy day’. Uiteindelijk komen we erachter dat vandaag ‘the Downfall of the Derg’ of het einde van het ‘socialistische experiment’ (’75 – ’89) in Ethiopië, gevierd wordt. En als we op maandagvoormiddag op het punt staan opnieuw richting museum te rijden, ontdekt Olaf dat er een virus op zijn laptop zit. Een ongewenst cadeautje van ons, want het is via zijn memorystick, die gisteren in onze laptop zat, binnen geslopen. De rest van de dag zijn Olaf en Roland bezig met het proberen op te sporen van het virus, zonder succes. Geen enkele virusscanner ontdekt iets. Pas als Bob tegen het einde van de namiddag op de proppen komt met een heel recente virusscanner, lukt het om het ellendige ding te detecteren en te verwijderen. Weer geen Lucy! Gelukkig is daar reddende engel Josune, een lieve Spaanse meid op reis door Ethiopië. ‘Ach, dat museum stelt toch niet echt veel voor. Je mist niets. Als je wil, kan je mijn foto’s van Lucy op je laptop zetten en dan kan je tenminste doen alsof je haar gezien hebt.’ Allé, dat is dan ook weer geregeld. Op dinsdag nemen we afscheid van de hele bende en zetten koers naar het noorden. Met een tussenstop in Dessie, rijden we op twee dagen naar Lalibela. We rijden doorheen prachtige hoogvlaktes en berglandschappen en zien de mooiste hutjes van Afrika. De ronde muren zijn geheel of gedeeltelijk opgetrokken uit het lokale gesteente, de rieten daken staan te schitteren in de zon en telkens is een groep van een tiental grotere en kleinere hutjes omringd door een lage stenen muur. Het doet heel erg middeleeuws aan. Prachtig! Op de een of andere manier voelt het niet echt Afrikaans aan, de mensen zouden zo uit een film over het leven van Jezus weggelopen kunnen zijn, met hun omslagdoeken van grof katoen, de mannen met hun herdersstaf annex wandelstok in hun nek (tenzij dat ze hun koppige ezels terug op het rechte pad moeten krijgen) en de vrouwen met de waterkruiken op hun hoofd of rug. Naar Lalibela ga je om de beroemde rotskerken te bezoeken, om je de kleren van het lijf te laten vragen en je met stenen te laten bekogelen. Althans, dat is de mening van menig reiziger die we onderweg zijn tegengekomen. Wij moeten het echter eens zijn met die enkelingen die niet begrijpen waar ze het halen en die Lalibela wel leuk vinden. ‘De meeste gidsen zijn niet goed, ze weten meestal niet veel meer te vertellen dan wat er in een goede reisgids beschreven staat over de kerken, maar neem er toch maar eentje mee, want anders is het moeilijk om je weg te vinden en dan word je niet constant lastig gevallen door andere gidsen en kinderen die vervelend doen’, horen we van een Canadese de avond voor we de kerken willen bezoeken. Wij vinden echter dat de gidsen te veel vragen en besluiten toch maar alleen op pad te gaan. De hele dag vragen we ons af waar die andere gidsen en die vervelende kinderen naartoe gegaan zijn, want wij zien niemand, behalve dat ene gastje dat naast me komt zitten en me bedelft onder smoezelige kusjes. Wat een schatje. En de weg vinden is al helemaal geen probleem; aan elke kerk zit een man die je ticket controleert en je vriendelijk de weg naar de volgende kerk wijst. We bezoeken alle kerken in het stadje, maar zijn wel een beetje teleurgesteld om te zien dat ze allemaal, op de Bet Giyorgis (de beroemdste en meest gefotografeerde) na, onder een shelter van aluminium golfplaten staan, waardoor de zijmuren bijna volledig aan het oog onttrokken zijn door houten steigers. Dat zal wel noodzakelijk zijn om de kerken te beschermen tegen de invloeden van het weer, maar het is jammer dat ze niet een wat meer esthetische oplossing hebben kunnen vinden. We wandelen over zandpaadjes, weg van de verharde hoofdweg, en hebben meteen weer dat middeleeuws gevoel . Geen elektriciteit in deze hutjes, geen stromend water, op de kolenvuurtjes staan waterketels te pruttelen, volgepakte ezels (én vrouwen, want die moeten zoals gewoonlijk weer het zware werk doen) lopen af en aan, de mannen slenteren er achteraan met hun wandelstok en paraplu (twee onmisbare attributen voor een Ethiopiër) in de nek. Een vrouwtje hurkt vlak naast me neer en begint ongestoord te plassen. En overal baby’s, peuters en kleuters, de ene nog smoezeliger dan de andere … met veel, weinig of geen kleren aan hun lijf. En iedereen zegt vriendelijk goeiedag, wuift of loopt naar ons toe om een handje te geven. Veel verder dan ‘hello’ of ‘where are you go?’ komen ze niet, maar we genieten. In Bahar Dar, aan Lake Tana, bezoeken we de grote zaterdagmarkt. Hoe ze hier aan de gang kunnen blijven, is ons een raadsel, want er zijn letterlijk tientallen kraampjes waar ze exact hetzelfde verkopen. En ook hier zijn we nooit alleen. In elke straat die we inslaan, komt er wel iemand naast ons lopen en begint honderd en één vragen te stellen. Sommige kerels geraken we gewoon niet meer kwijt. Gelukkig houdt Roland zich bezig met die gasten, want ik heb er vandaag niet zo’n zin in, om voor de honderdste keer dezelfde vragen te beantwoorden en dezelfde oppervlakkige gesprekjes te voeren. Kesete en co (ik kan de namen van die twee Sri-Lankesen maar niet onthouden) logeren in hetzelfde hotel en hebben gisteren een boottocht gedaan op het meer om de kloosters te bezoeken. Ze zijn er niet echt over te spreken, ze vonden de boottrip te duur, in elk klooster moet je nog eens inkom betalen en ze zijn niet echt de moeite, volgens hen. Als je er één gezien hebt, heb je ze allemaal gezien. Uiteindelijk besluiten wij dan maar af te zien van onze geplande uitstap, die we toch al vrij duur vonden en vinden relaxen aan de rand van het meer een goedkoper en even ‘nuttig’ alternatief. In Gonder zitten we weer op meer dan 2200 meter en dat voelen we. ’s Avonds koelt het behoorlijk af en onze donsdeken komt ’s nachts weer goed van pas. Het zijn de laatste nachten dat we daar nog van kunnen genieten. In Soedan zal de tent weer te klein zijn, vrees ik, als we onze armen en benen van ons af willen gooien van de hitte. We bezoeken de Debre Berhan Selassie kerk, beroemd omwille van de tachtig engeltjes op het plafond en de Royale Enclosure, een verzameling van koninklijke paleizen die meer weg hebben van middeleeuwse Europese burchten. Ze zijn gebouwd tussen 1636 en 1855 toen Gonder de hoofdstad van Ethiopië was. Het paleis van keizer Fasiladas, het oudste en meest indrukwekkende, is sinds vorig jaar opnieuw open en met de hulp van onze gids, een aangenaam verteller, komt een stukje geschiedenis tot leven. Op de een of andere manier komt het gesprek toch weer op de huidige situatie in Ethiopië en weer maar eens horen we dat het niet goed gaat hier. Bijna heel Ethiopië is tegen de regering, beweert onze gids. Ze hebben nochtans vorig jaar de verkiezingen gewonnen, maar dat was een klucht, ‘a real joke’, er is gefraudeerd tot en met. En UN-waarnemers zaten erbij, keken ernaar, en deden of hun neus bloedde. Ze begrijpen trouwens niet eens onze taal en hadden er geen flauw idee van wat er gezegd werd of wat er op pamfletten en dergelijke stond. En nu zit de oppositie in de gevangenis, zegt hij. Professoren, leden van de politieke oppositie, kritische, intelligente mannen en vrouwen, ze zijn opgepakt en achter tralies gezet, zodat de regering geen last meer heeft van ‘lastige tegenstanders’. En het leven in Ethiopië wordt steeds duurder, sommige prijzen zijn verdriedubbeld op een jaar tijd. Ik moet rondkomen met een maandloon van 500 Birr (nog geen 50 euro) en dan mag ik niet eens klagen. Ik heb geen vrouw, geen gezin, moet enkel voor mijn vader zorgen en voor het dochtertje van mijn broer en schoonzus, die beiden gestorven zijn aan aids. Ik kom er wel, maar er zijn steeds meer mensen die het niet meer redden. En dan verontschuldigt hij zich ineens dat hij ons hiermee lastig valt. ‘Kom,’ zegt hij, ‘jullie zijn hier om een stukje geschiedenis te leren kennen. Dit is het paleis van …’ En hij gaat weer verder met zijn uitleg alsof er geen onderbreking is geweest. Even voelen we ons weer klein en machteloos. Daniel is een van de kinderen die ons elke dag weer weet te vinden als we door de straten van Gonder lopen. Of we de paleizen al bezocht hebben? En de Selassie kerk? Anders wil hij ons er wel mee naartoe nemen, hij kent de weg, hij kent hier alles. En op dertig kilometer van hier is er een plek met een heel mooi uitzicht, wisten we dat al? En willen we daar morgen niet naartoe gaan? Hij kent de weg, hij zal wel meegaan. Als Roland hem zegt dat hij morgen wat werk aan de auto moet doen, beginnen zijn ogen helemaal te stralen; zijn broer is mecanicien, die zal ons zeker kunnen helpen. ‘Ja, maar,’ zegt Roland, ‘ik kan dat zelf ook.’ Dan is kleine Daniel zo’n beetje uitgeboerd, veel meer heeft ie niet meer in de aanbieding. Maar als we hem nodig hebben, weten we hem op straat wel te vinden, zegt ie, want hij kent hier alles en iedereen. Het W.K. komt dichterbij en dat is te merken in Ethiopië. Het ganse land is in de ban van het op handen zijnde voetbalfestijn. In elk stadje staan her en der grote schermen opgesteld, gesponsord door o.a. Dashenbier en elke avond houden ze een testuurtje. Dan wordt een of andere oude voetbalwedstrijd uitgezonden, allé, met heel veel blauwe ‘no signal’ schermen tussendoor, maar als je het volk bezig ziet, zou je denken dat het W.K. al begonnen is. Bij elke goal, die ergens in de jaren stillekes gemaakt is, wordt er gejuicht van jewelste. Roland hoopt dat hij in Soedan zo hier en daar toch een matchke kan meepikken. Uiterlijk op 10 juni moeten we de grens met Soedan oversteken, anders verloopt ons visum daar. Dat betekent dat we slechts vier weken in Ethiopië hebben kunnen doorbrengen, wat we iets te weinig vonden. Veel reizigers zijn blij als ze het land kunnen verlaten, maar wij hebben dat gevoel niet. Je bent er inderdaad bijna nooit alleen, privacy is een woord dat je in geen enkel Amharic woordenboek zal vinden. Ook op campings komen de mensen gewoon bij je zitten, en dat kunnen ze uren volhouden, zelfs als het gesprek al lang voorbij is. En ja, er wordt vaak om geld gebedeld (meestal door kinderen) en het kan soms allemaal best vermoeiend zijn (en ik had er soms meer last van dan Roland), maar meestal lukte het ons wel om de vragende handjes te veranderen in spelende. En we hebben zeker zoveel mensen en kinderen ontmoet die niet bedelen, die heel vriendelijk zijn en graag en veel lachen, die gewoon nieuwsgierig zijn naar die firanji’s en handjes willen schudden en een babbeltje willen slaan. Bovendien heeft Ethiopië echt wel veel te bieden. Het is een fascinerend land met een prachtige natuur, een grote etnische verscheidenheid, een rijk verleden en tal van historische bezienswaardigheden. En als je eens de macchiato geproefd hebt … wel, dan zit je weer met een verslaving meer. Op naar Soedan, terug naar de moslimlanden met hun immense gastvrijheid, terug naar de woestijn én terug naar de oventemperaturen! Yeeha! Chow! (uitspreken op z’n Italiaans) |
|
| Geen
frames zichtbaar? Klik hier voor de volledige
versie.
Web design: Dominiek Croymans |
|