![]()
'Maar waarom, waarom toch, reizen de verkeerde mensen en blijven de juiste mensen thuis?" (Noel Coward) |
|
|
2006-07-01 zie ook fotopagina van Soedan lees ook de reistips over Soedan |
|
|
|
10 – 19 juni 2006 Miljaar, wat is het hier heet! Aan de grens voelen we het al meteen; dat gaat puffen worden de komende dagen. En we maken al meteen kennis met de beroemde Soedanese bureaucratie: een pasfoto hier, een handvol dinars daar, gaan registreren bij de Security Police nog ergens anders, waar we weer een pasfoto en een duimafdruk moeten achterlaten (nu staan we ongetwijfeld geregistreerd in de computerbestanden van de Soedanese geheime politie – als die ooit over een computer zullen beschikken). In twee dagen rijden we naar Khartoum, met een bushcamp ergens onderweg , waar het ’s avonds gelukkig nog voldoende afkoelt om een goede nachtrust te hebben. Op een paar uur tijd hebben we het landschap zien overgaan van groen en bergachtig in Ethiopië naar bruin en vlak. Alles heeft hier de kleur van de woestijn: de aarde, de huizen, zelfs de lucht is geelbruin. De zon zit constant achter een waas van woestijnzand en ’s nachts zien we bijna geen enkele ster aan de hemel. In Khartoum vinden we een goedkope overnachtingsplaats iets buiten de stad en we zitten temidden van Soedanezen. Zo goed als niemand spreekt Engels, maar supervriendelijk zijn ze allemaal. Het W.K. is ondertussen begonnen en ook hier zijn ze allemaal zot van voetbal. Elke avond wordt het enige tv-toestel buiten gezet en iedereen zit, ligt of staat errond. Zeker honderd man troept elke avond samen rond dat ene kastje en daar zitten Roland, Anskar en Nathalie (twee andere overlanders) als enige blanken tussen. Iik heb het na één avond al opgegeven: de ambiance is wel leuk, maar ik zal nooit een fan worden. De hitte in Khartoum is verschrikkelijk. Het is hier zo heet dat zelfs mijn thermometer kompleet tilt slaat. Ik voel me al een paar dagen ziek: diarree en totaal geen energie meer. En als ik m’n koorts meet, blijkt dat ik eigenlijk al dood had moeten zijn: 41,9°! Toch maar even langs het ziekenhuis voor een paar tests. Het blijkt gelukkig geen malaria te zijn, maar dysenterie, opgelopen in Ethiopië. Ik vond de injera daar nochtans heel lekker. Ziek zijn in Soedan, waar het overdag vlot 45° is en ’s nachts niet koeler wordt dan 35°, en diarree hebben als er alleen maar een Frans toilet is in het vrouwengedeelte dat ’s nachts ook nog eens afgesloten wordt; er zijn leukere dingen. Een kamer met airco is voor ons gewoon te duur en dus zit er niets anders op dan een paar dagen afzien. Daar wordt een mens hard van, zie mijn oma altijd en oma’s hebben altijd gelijk, zeker? Mohamed, de enige man op de camping die Engels spreekt, vindt dat maar zever. Als hij mij ziet liggen in mijn campingzetel, zegt ie tegen Roland dat dat zo niet kan: ziek zijn en dan op zo’n oncomfortabele manier in die zetel moeten liggen. Onmiddellijk wordt er ergens uit een kamer een bed en matras gehaald en naast de auto gezet, in de schaduw van de bomen en in de wind (zo’n lekker heet briesje). Als ik op het bed ga zitten, slaan m’n knieën bijna tegen m’n hoofd, zo diep zak ik erin weg. En daar lig ik dan, op een gammel bed dat zo doorzakt dat m’n gat bijna de grond raakt, lekker ‘comfortabel’ te puffen. Maar Mohamed is zo vriendelijk en behulpzaam geweest, dat ik niet anders durf dan erop te blijven liggen. Slechts één nacht kunnen we slapen zonder dat onze lakens doorweekt zijn van het zweet. Het begint heel hard te waaien – rap rap alles opruimen en in de auto steken, de tent dichtritsen, want binnen de kortste keren zit alles onder een laag zand – en even later krijgen we zowaar een regenbui. Nooit gedacht dat ik nog ooit zo blij zou zijn met regen. De temperatuur daalt meteen met zeker 10 graden. Zalig! En de volgende morgen zien we dat ook Soedan een blauwe hemel heeft. Geen vuiltje meer aan de lucht. Er is heel wat te regelen in Khartoem: we moeten ons laten registreren (we zijn er al een halve dag zoet mee om te weten te komen waar we daarvoor moeten zijn – iedereen wil wel helpen, maar iemand te pakken krijgen die Engels spreekt, is hier niet evident), een visum voor Jordanië en Saudi-Arabië halen en nagaan wanneer er een ferry van Port Sudan naar Jeddah gaat. Ons visum voor Jordanië bemachtigen is geen probleem, dat van Saudi-Arabië is echter een ander paar mouwen. Als we ons aanmelden aan de ambassade, geraken we niet eens voorbij het loket. We moeten via een agent aan de overkant van de straat gaan, die regelen alles. Wij laten dus maar al onze documenten bij zo’n agent achter en ze verzekeren ons dat ons visum over twee dagen klaar is. Het gaat ons wel 100 US$ per persoon kosten. We weten dat het visum lang niet zoveel kost, maar we hebben weinig keuze. Als we echter na twee dagen weer op de stoep staan, blijken ze nog niets gedaan te hebben, omdat onze aanbevelingsbrief van de ambassade niet goed is. Die hadden we in Dar Es Salaam al laten maken en dat blijkt niet te mogen (en dat wisten ze eergisteren blijkbaar niet). We nemen de hele rimram maar weer mee en besluiten het zelf nog een keer te proberen bij de ambassade. De volgende morgen worden we eerst heel hartelijk ontvangen op het Belgisch consulaat, waar de medewerker van de consul ons een aanbevelingsbrief in het Arabisch schrijft en daarmee trekken we terug naar de Saudische ambassade. Deze keer geraken we wel binnen, maar weer worden we naar een van de agenten aan de overkant doorverwezen. Roland houdt echter vol (hij moet hier het woord doen – een vrouw wordt hier totaal genegeerd), we hebben alle documenten en willen zelf het visum aanvragen. Als een van de medewerkers de Arabische brief van het Belgisch consulaat ziet, kan het ineens wel. We moeten om twee uur in de namiddag terugkomen en dan zal ons visum klaar zijn. Twee uur wordt drie uur en drie uur wordt half vier, maar uiteindelijk hebben we een toeristenvisum van één maand in handen en het heeft maar 13 euro per persoon gekost! Supercontent kunnen we op weg naar Port
Sudan. Het wordt weer woestijnrijden, want de weg is maar gedeeltelijk
geasfalteerd. Roland is in z’n element. Als we in Port Sudan aankomen, gaat de zon net onder. We gaan op zoek naar een goedkope kamer, maar dat blijkt een hele opgave. De prijzen rijzen hier de pan uit. In het derde of vierde hotel dat we binnenstappen, wordt ook weer schandalig veel geld gevraagd, maar de receptionist wil ons wel een korting geven. Na een half uur en twee telefoontjes met de manager, krijgen we de kamer voor de helft van de prijs, wat voor ons eigenlijk nog veel te duur is, maar we zijn het beu. We zijn moe, vuil en bezweet en willen alleen nog maar een douche, iets eten en een bed. De volgende morgen wandelen we naar Baboud Lines. Als we geen waypoint van andere reizigers gekregen hadden, zouden we nooit geweten hebben dat dit het kantoor van de ferrymaatschappij is – geen enkel opschrift in het Engels. Binnen moeten we wachten tot de enige medewerker die Engels spreekt, arriveert en dan kan ons ticket geregeld worden. Ook hier is weer iedereen supervriendelijk en behulpzaam. De eerstvolgende ferry vaart morgen, dus
rijden we de stad uit op zoek naar een plek om te bushcampen – geen
tweede nacht in een duur hotel voor ons. Meneer Kamal van Baboud Lines had ons gezegd om 10 uur in de haven te zijn om alle uitreisformaliteiten te regelen; de boot zou pas om 4 uur in de namiddag vertrekken. Zes uur om ons carnet en paspoorten af te stempelen, dat lijkt ons toch een beetje te veel van het goede, dus rijden we tegen één uur de haven binnen, waar ze ons de volgende drie uur en een half van het kastje naar de muur sturen. Al goed dat er iemand die een klein woordje Engels spreekt, met ons meeloopt, want we zouden dol geworden zijn. Joeng, joeng, zo onefficiënt en verwarrend hebben we het nog nergens meegemaakt. Enfin, om vijf uur rijden we dan toch naar de ferry, waar we nog niet opmogen, we zien de zon ondergaan in de Rode Zee (onze laatste zonsondergang in Afrika!), we wachten nog wat, en nog wat, en nog iets langer … en om halfelf wordt dan toch het anker gelicht en zetten we koers richting Jeddah, Saudi-Arabië. Tot ziens Afrika!!!! Op de ferry zijn wij, als enige blanken, een bezienswaardigheid. Als we op het bovendek op een bankje zitten, krijgen we al meteen het gezelschap van drie Sri Lankezen die op deze boot werken. Ze zijn in tien maanden slechts één keer aan land kunnen gaan en zijn allerminst te spreken over de Soedanezen en de Saudi’s. De eersten vinden ze maar onopgevoede lomperiken, die alleen maar een vrouw vinden als ze ervoor betalen, en de laatsten arrogante moslims die geen respect hebben voor buitenlanders. Ze zijn onderbetaald (300 US$ per maand) en hebben zo goed als geen vrije tijd om aan land te gaan. Honderduit vertellen ze over hun avonturen, de een als illegale handelaar in edelstenen en de ander vertelt vol trots over alle landen die hij al gezien heeft. Binnen de kortste keren zijn we omsingeld door een tiental Soedanezen, die er allemaal geen woord van begrijpen, maar toch geboeid zitten te luisteren. De volgende middag komen we aan in een totaal andere wereld. Over Saudi-Arabië, het land dat voor ons een van de grootste verrassingen van deze reis was, kan je lezen in ons volgend verslag. Tot de volgende keer! |
|
| Geen
frames zichtbaar? Klik hier voor de volledige
versie.
Web design: Dominiek Croymans |
|